elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuier

tuier , tuur , De beesten mut op ’t tuur, de beesten moeten getuierd worden.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
tuier , tuiër , de paal welke hiertoe dient, en ook het gras dat binnen den omtrek van het touw zonder voortzetten kan gegraasd of bereikt worden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tuier , tü̂̂r , tü̂̂der , (onzijdig) , paal, waaraan het vee graast.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tuier , tuur , zie: anturen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuier , tuur , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hout met beugel, om een dier aan een paal te zetten, met bewegingsvrijheid, aan touw
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tuier , tuier , m , pin om de geit vast te zetten op een stuk grasland.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tuier , teur , iêzere peen woaraan ut vië wuurt vâsgezatte.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
tuier , tuur , de, het , (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = touw aan een stik voor het vastzetten van een schaap of geit De bok staait an het tuur (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuier , tuier , hangende slijmmassa, kwijl. Wat hef die koe ’n tuier an de bek hangn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tuier , tuurn , een koe, die met een touw vast aan de paal staat te grazen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tuier , ture , tuur , zelfstandig naamwoord , de; paaltje of stikke met touw, draad of ketting waaraan men vee vastzet, tuier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tuier , tuijer , tuier (paal om vee aan vast te leggen) , de geit stond op de tuijer = de geit stond vastgebonden aan een paal om te kunnen grazen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
tuier , tuier , 1. rafel; 2. vod, oude of versleten lap.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tuier , tuur , (ijzeren of houten) pin, soms ook de ketting, in de berm, waaraan vee wordt vastgezet om te grazen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tuier , tuur , zelfstandig naamwoord , tuierpaal (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tuier , tujer , (mannelijk) , tujers , tujerke , standpaal voor grazend dier , Ein geit oppen tujer zètte.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tuier , tuijer , zelfstandig naamwoord , WBD tuiertouw (touw of ketting waarmee de koe of de geit aan de tuierpaal getuierd is); WBD ooks 'teurtouw' en 'tou'; WBD tèùr (Hasselt) - deel van een weide dat een aan een paal vastgebonden koe of geit kan afgrazen; Frans Verbunt -  komde van oewen tuier aaf? (kom je van huis?); WNT TUIER - 1) IJzeren of houten paal ... 2) touw om vee vast te zetten; 4) af te grazen deel v. weide of anderen grond; ... Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TUIER zelfstandig naamwoord m. - bij landb. bindtouw, zeel, om het vee te binden; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TUIER m. - rondgang van een getuierd schaap of paard: hij heej z'ne tuier aaf - hij is klaar met zijn rondgang, heeft de hele familie bezocht. A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zelfstandig naamwoord m. 'tuier' 1) bindmiddel van een koe; 2) ruimte die zo’n tuier het dier toelaat.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
tuier , teur , tuier
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal