elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuil

tuil , toel , (Niezijl, enz.); de salpeterige veenlaag, soort van darg, die men daar in den bodem vindt. “De bodem (bij Visvliet) bestaat uit beste klei tot 13, 14 en 15 voeten diepte; hierop volgt een grond naar turf gelijkende, 3 of 4 oude voeten diep, welken men toel noemt.” (H. Kremer bl. 171).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuil , toel , (Niezijl, Visvliet): een salpeterige veenlaag, veel op darg gelijkende; zie o.a. Kremer, Beschrijv. d. Prov. Gron., IIe druk 2e stukje bladz. 60.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tuil , tuul , tuil , zelfstandig naamwoord de , Tuil, in de zegswijze z’n tuul uittule, zijn lusten botvieren, zijn hart ophalen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tuil , tuul , tule , de , tulen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook tule (Veenkoloniën), vaak verkl. = 1. penis Onderkaant tuul is bovenkaant miegbak timmermansterm om hoogte aan te geven, spottend (Gas), As kinder de olden in de weg stunden en vervelend wörden, dan wör je vaok wegstuurd, mor kwammen aal weer terug. Dan zeden ze: Woor is mien mes, dan za’k je tuul ofsnieden, en dan gung je wel vort (Eev), Het tuultie van het klein jonkie (Rod) 2. (Zuidwest-Drenthe, noord), in Een tulegie an een snötneusie snotbel (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuil , tuiltje , zelfstandig naamwoord , kuifje (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tuil , töltje , zelfstandig naamwoord , verkleinwoord; tuiltje, ruikertje, bosje bloemen, boeket; - verkleinwoord van 'tèùl', met vocaalkrimping; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TUILTJE zegt men hier voor hetgeen men elders een ruiker noemt, waar; tuiltje naauwelijks dan in den diohterlijken stijl bekend is.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal