elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuin

tuin , tuin , Thuin.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
tuin , tuun , (mannelijk) , heining. De Hollandsche tuin, op de munten. A. S. tynan, insluiten. Isl. tûn, stad [ingeslotene plaats.] Eng. town.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
tuin , tuun , het hekje om den preekstoel
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
tuin , tuun , het hekje om den preekstoel
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
tuin , tuin , volgens den aard van ’t woord, eene omheining van beuken plantsoen, doorn, hulst enz. De eigenlijke tuin heet hier nog veelal hof.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tuin , tuun ,  tuinen, toen , (= tuin); afschutting, heg. Eigenlijk: eene omheining van wilgen staken met dunne takken van hetzelfde hout doorvlochten. In Drente en Gelderland vindt men nog op enkele plaatsen zoodanige tuinen om de kerkhoven (kerktuinen) uit gespouwen eiken palen bestaande, door takken aan elkander verbonden. In Overijs. en Geld. bestaat de afschutting der boerenerven veelal uit zulk vlechtwerk. De kribben in de rivieren en wateren heeten mede: tuinen, doch waren verboden. Dr. Landr. (1712) IV. 5: kerktuinen; art. 6: ook zullen geene Tuinen, enz. in rivieren gezet mogen worden. Oostfr. tûn, tü̂̂n = afsluiting door middel van struiken, twijgen, enz., hekwerk, staketsel, wat door middel van heggen, schuttingen wordt afgesloten; Nederd. tuun, MNederd. tûn, Kil. (Fland.) tuyn, Oudfr. wang. Saterl. Helgol. tûn, Friesch tuwn, Westf. tuun, OudS. AS. tûn, OEng. tûn, toun, Eng. town, ONoorsch tûn, OHD. MHD. zûn, Oostenr. zoun, HD. Zaun = hek, heg, enz. Vergel. aalstal. (= tuin), zooveel als: omtuining, schutting. Sprw. Daor de toen op ’t leegst is, kompt man er ’t best over = over geringe menschen kan men gemakkelijk de baas spelen (Odoorn).
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tuin , tûn , (mannelijk) , tuin, heining.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
tuin , tûn , tü̂̂n , (mannelijk) , tü̂ne , tuin, omheining.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tuin , engelse toen , (Engelsche tuin), eigenlijk zooveel als: tuin op zijn Engelsch aangelegd. Men verstaat er onder: een tuin die in ovale of ronde perken of perkjes is verdeeld, met slingerpaden doorsneden en met bloemen en heesters beplant; engelse anleg wordt zulk een tuin genoemd, ’t zij met of zonder plantsoen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuin , toen , toene, tuun , tuin; Oostfriesch tûn, tü̂̂n, Nederduitsch tuun, Middel-Nederduitsch tûn, Hoogduitsch Zaun, oorspronkelijk: alles wat omheind, in- of afgesloten, omtuind is.
(tuin) = het rijswerk, bij waterwerken, in zijn geheel; toenpoal = de dikkere paaltjes die in den grond worden gestoken; toenlatten = de dunnere rijzen, zoo dik als een vinger of duim, die om die paaltjes worden gevlochten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuin , [vlechten van afscheidng of beschoeiing] , tünen , Vlechtwerk, mandewerk van teenen maken voor afscheidingen, beschoeiingen, kribben enz. Vgl. ons: Hollandsche tuin. Ook W.-Vl. de Bo geeft: tuin – haag, heining. Hgd. Zaun.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
tuin , tuin , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Ook in de naam van verschillende stukken land, die als tuin worden gebruikt of bij een tuin zijn gelegen. || Die thuyncamp (te Assendelft), Hs. U. 20, f° 42 r° (a° 1581), prov. archief. De Tuinven (op de Koog), Hs. (a° 1778). De Tuinwerf (weiland te Oostzaan), Verkopingsbiljet (a° 1880).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tuin , tü̂n , Heg of afscheiding van vlechtwerk. Sam.: Tü̂nwark, vlecht- of kribwerk.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
tuin , tüün , omheining van vlechtwerk
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tuin , tuin , Beteekent hier nooit den hof, maar wel een van teen of ander hout gevlogten heining, die den hof of iets anders afsluit. Vergelijk Kiliaan.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
tuin , toen , zelfstandig naamwoord, mannelijk , 1 omheining, 2 vlechtwerk aan oever, ter bescherming van de wal. t Gat vuur n toen trekng, de melk optrekken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tuin , tuin , zelfstandig naamwoord de , Ook: fruittuin, groentetuin. Verkleinvorm tuintje, in de zegswijze je moete eerst je oigen tuintje wude, verbeter eerst de tekortkomingen van jezelf en de jouwen, vóór je kritiek op anderen hebt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tuin , tùin , zie: hof.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
tuin , toen , toene , de , toenen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook toene (Midden-Drenthe) = 1. afrastering, omheining De toen sleut de hof of de omheining was altijd van hout en de planken vormden de toen (Eex), Daor is een plaank van de toen (Exl), (fig.) Hie trekt de kont veur de toen trekt zich terug (Zwin) 2. tuin Wij moet hum de toen maor even umhelpen (Dro), z. ook tuun 3. vlechtwerk van takken in een lemen muur (Rod) *Woor de toen um ’n leegsten is, kuj um besten over als de gelegenheid zich aanbiedt, moet je toepakken (Sle); Aj dat geelhaor bieten kunt, dan kuj met de hond over toen (And); Je moet het geld niet op hegen en toenen hangen niet teveel tonen (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuin , tuun , tune, toene , de , tunen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook tune (Zuidwest-Drenthe,Zuidoost-Drents veengebied,Midden-Drenthe), toene (Zuidoost-Drents veengebied,Veenkoloniën).In samenstellingen lopen tuun- en toen- door elkaar in Zuidoost-Drenthe en Midden-Drenthe = 1. tuin Ik wil je niet wèer in de tune hebben (Hijk), Hai mot eerst dai toene omhebben, eerder hef e gain tied (Vtm), Hij hef mollen in de tuun (Ass) 2. afrastering (Zuidwest-Drenthe, zuid), omheining, gewoonlijk van brem of rijshout (sa) Vroeger heette een afrastering om een tuuntie een tunegie (Rui), z. ook toen I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuin , tuun , 1. betuining, omheining; 2. gevlochten takken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tuin , tuun , gevlochten omheining rond een tuin of weiland.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tuin , tûin , tuin , D’n hof is onzen tûin èn um onzen tûin sti nen tûin, kunde géij dé allemôl vollege? De hof is onze tuin en om onze tuin staat een haag, kunnen jullie dat allemaal volgen?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
tuin , tuun , zelfstandig naamwoord , de; tuin: met bloemen of groenten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tuin , d’n toin , zelfstandig naamwoord , [Gwd] ruimte rond een preekstoek Zie ook den bôôgerd
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
tuin , tuun , 1. tuin; 2. omheining; tuunpaol, grenspaal van een wei; tunen, omheining maken, vlechten.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tuin , tuin , tèùn , zelfstandig naamwoord , omheining, haag (West-Brabant); tèùn; omheining (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tuin , [omheining] , toen , (mannelijk) , toene , tuunke , afrastering, omheining , ’t Paerd waas oette wei, want d’n toen waas kepot.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tuin , tèùn , zelfstandig naamwoord , töntje , heg, tuin, omheining; R.J. 'die waar gebonden aon 'n tùin'; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - den tuin aachter 't huis (ui = eu in fr. Meuse); WBD (III.3.3:96) tèùn = omheining v.h. kerkhof; WBD (III.2.1:399) 'tuin' = idem; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TUIN = lage omheining, omtuining. Z.a. A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zelfstandig naamwoord m. tuin, haag om een hof, hofheg; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TUIN zelfstandig naamwoord m. - haag, hegge rond eenen hof, Hgd. Zaun; Hees tèùn (IV:33, VI:41); töntje - verkleinwoord; hegje, tuintje; Henk van Rijen - gez. Nie oover et töntje loere; verkleinwoord van 'tèun', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal