elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuk

tuk , tuk , Tw. Een vest- of broekzak, of in de onderkleederen. A. S. tuccan, dragen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
tuk , tuk , zak.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
tuk , tokje , (onzijdig zonder meervoud) , hij gaat met een tokje, is kreupel, gaat mank. Het hinkende paard komt achteraan.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
tuk , duge , mak, gedwee. Gron.; tuk wezen = mak wezen = stil zwijgen, zich stil houden, niet meer tegenpraten, voortkomende uit vrees. ZLimb. tuke = tot zwijgen brengen, troeven, schaakmat zetten; Oostfr. tûk = mak, rustig, stil, zich voegend.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tuk , tuk , zak. Sprw.: Oe möt’n cent zoo vast innen tuk zitten as ’t haor oppe kop en ’n koeze inne bek = een cent moet u zoo vast in den zak zitten als de haren op het hoofd of als eene kies in den mond.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tuk , [zak] , tük , (mannelijk) , zak; tükdôk, zakdoék.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tuk , tuk , tuk wezen = niks meer te koop hebben = zich stil houden, niet meer tegenpraten of tegenstribbelen uit vrees. zich voor ʼt oogenblik gaarne voegend; dou ʼk dat zee was ʼe tuk. Zuid-Limburgsch tuke = tot zwijgen brengen, troeven, schaakmat zetten; Oostfriesch tûk, dûk = rustig, stil, onderworpen, deemoedig, onderdanig; hî was nët so tûk dat hê sük hêl nêt mër ükkerde un rö̂rde; wen de lü̂̂e older worden, den worden sê fan sülfen ôk tuker un bedârder. – Van: doeken = duiken, zich vooroverbukken, en fig. = bukken, zwichten, de minste zijn. Kil. docken, duycken, Engelsch duck, Zweedsch duka, Deensch dukke, Hoogduitsch ducken, verwant met deuk. Groningsch duks en deuk, alsook met: duker (ijzeren nagel), andoeken, enz. Oud-Hoogduitsch tûhhan; Middel-Hoogduitsch tûchen, Hoogduitsch tauchen; Middel-Hoogduitsch tücken, ducken = zich snel nederwaarts bewegen, zich bukken; Middel-Hoogduitsch tuc = slag, stoot, snelle beweging; Oud-Hoogduitsch dûhan, dûhen, Middel-Hoogduitsch dûhen, diuhen = drukken, samenpersen, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuk , tok , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Tuk, in de zin van: ruk, die de vis aan het vissnoer geeft. || Ik heb tok (heb beet, bij het vissen). – Zegsw. Er is tok an de hangel (hengel), fig. er is volk aan de deur. – Vgl. golfjes-tuk en tukkelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tuk , tokje , (tòkkie) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Tukje. Zie de wdbb. || ’En tokkie doen. “Zet nou maar van wal, den gaan we (vrouwen die met een jachtje te kermis geweest zijn) maar weer op onze lieverts of. Ze zelle meucheluk al een tokkie oit (uit) hewwe, asse we komme”, Sch. t. W. 279. – Ook in samenst. als hazetokkie, middagtokkie. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 107). – Vgl. tokken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tuk , tuk , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie tok I.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tuk , toek* , 2, vergel. Nederlandsch tuk = listig, begeerig.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tuk , tuk , mannelijk , tukke , tukkien , zak (in kledingstuk)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tuk , tuk , Zak in eenig gedeelte van een mans kleeding. Een boersch woord. Algemeener van gebruik in ’t boertige. In Drente zegt men busse, waarvan Kiliaan een andere doch gelijkformige beteekenis geeft.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
tuk , tuk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , broekzak
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tuk , tuk , bijwoord , tuk hebm, te pakken hebben, voor de mal houden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tuk , tok , zelfstandig naamwoord de , 1. Tuk, beet. 2. Tuk, slaapje. | Ik hew ’n beste tok dein. Verkleinvorm tokkie. Tukje, slaapje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tuk , tok , zelfstandig naamwoord , in de zegswijze van tok weze, van dezelfde soort of familie zijn, dezelfde streken als zijn familie hebben (verouderd). Mogelijk is de zegswijze ontstaan uit van ’t hok weze = van hetzelfde hok zijn of komen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tuk , tuk , in de zegswijze ientje tuk hewwe, iemand beetgenomen hebben, in de val hebben laten lopen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tuk , tuuk , tuik, tuk , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Tuk, begerig naar. | Hai is tuuk op ’n verzetje. 2. Glad, slim. | ’t Is ’n tuke knaap. 3. Bekwaam, netjes. | ’t Is ’n tuke bouwer. Vgl. Fries tuk. Zie het N.E.W. onder tuk-2.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tuk , tuk , zelfstandig naamwoord , aard, trek. Zegswijze: D’r zit ’ne kwaoje tuk in. Er zit een trek in die niet deugt. Iemand heeft ’n slechte aard, ’n kwaad karakter.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
tuk , tuk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. rustig (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Hie is ter tuk van van iem. die de waarheid gezegd krijgt (Sle), Hol je mor tuk, dan kan je niks gebeuren koest (Wee), De kinder hebt zuk goed tuk holden zich rustig gehouden (Bor) 2. gebrand Hie is tuk op dat baantien (Gas) 3. beet Ik laote mij niet tuk nemen bedotten (Hgv), Hie had hum mooi tuk (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuk , tuk , de , tukken , 1. (vaak verkl.) slaap Hij kwam in de tuk (Klv), Ik heb nao het eten even een tukkie daon (Schl) 2. zak (Zuidoost-Drents veengebied, wm) Oe möt een cent zo vast in den tuk zitten as het haor op de kop en een koeze in de bek (wm) 3. ruk (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) A’k an het vissen bin, dan wi’k bij het eerste tukkien ophalen (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuk , tuksie , (Kop van Drenthe), in onder tuksie onder stuur, onder controle Hij haar zien hond goud onder tuksie (Wtv), z. ook struksie
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuk , tuuk , tuke , tussenwerpsel , (Zuidwest-Drenthe, be:Kop van Drenthe). Ook tuke (Zuidwest-Drenthe, noord) = lokroep voor kippen Tuke, tuke, tuke, tuuk (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuk , tuk , aard. hij is nog van d’n aauwen tuk, hij is nog van de oude stempel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
tuk , tukke , speen. Die is nog niet van de tukke òf ‘die zuigt nog op een speen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tuk , tók , tijdje , Ik zéij muug, ik gôj nen tók te bed, daor knap'te van óp zègge ze aalté. Ik ben moe, ik ga een tijdje naar bed, daar knap je van op zeggen ze altijd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
tuk , tok , tuk , zelfstandig naamwoord , de 1. in op ’e tok holen aan het lijntje houden 2. in tok hebben beet hebben (bij het vissen)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tuk , tuk , zelfstandig naamwoord , de; tuk, in iene tuk nemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tuk , toek , bijvoeglijk naamwoord , 1. vindingrijk, handig 2. tuk op, bijv. Die is toek op centen doet er veel aan om geld te krijgen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tuk , tuk , bijvoeglijk naamwoord , 1. in je tuk holen zich rustig houden 2. vlot, in d’r tuk bi’j wezen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tuk , goejen tuk , goed milieu
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
tuk , tuk , afkomst
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
tuk , tuk , beet , nou hèk oe tuk nu heb ik je beet (genomen) 
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
tuk , tuk , zelfstandig naamwoord , aard, karakter (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tuk , tuk , zelfstandig naamwoord , karaktertrek; ene kaoje tuk = een slechte karaktertrek; ...'n Keend waor 'ne goeie tuk in zit en dè aaltij 't goei veurbeeld van z'n aawe lui veur oogen hee... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun als opvoeder’; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 – 6-4-1940); WBD goeje tuk, goejjen tuk - goede afstamming, gezegd van een koe, ook genoemd: goejen aord, goejen kòmaaf; Cees Robben – [over een vrouw] D’r zaat unne vulste goeie tuk in. (19740510); WBD (III.2.1:389) tuk = middagdutje; WBD (III.2.1:391) een tukje doen, een toertje doen, vijf vatten, zijn ogen eventjes overschieten - een (middag)dutje doen; WBD III.1.4:64 'tuk' = karakter; Jan Naaijkens - Dès Biks – (1992) - tuk zelfstandig naamwoord  - aard, trek; Verh TUK m - erfelyk trekje, meestal ongunstig: 'ne kaoje tuk' - een slechte eigenschap. A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zelfstandig naamwoord m. 'tuk' - trek: in eenen tuk - in één trek, zonder onderbreken; goed/slecht van tuk: van koeien gezegd en bij uitbr. van mensen. Weij (T&T 58:89) tuk 'karaktertrek'. Ook hierover zeg ik eigenlijk niets nieuws. Ik verwijs dan alleen naar WNT XVII, 4002, waar een Meierijs voorbeeld uit Roothaert wordt aangehaald en verwezen wordt naar De A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; 1958. Het WNT ziet er terecht een afleiding in van tukken en dit is identiek met Duits zucken 'trekken'. WNT TUK - (I), 6) aangeboren eigenschappen, aard, inborst, natuur
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal