elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tokken

tokken , [dralen] , tukken , [trekken] freq. tukkeren, talmen, dralen. Pl. d. tukken. Eng. tug, trekken, slepen. Dus eig. rekken.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
tokken , [talmen] , tukken , (werkwoord) , talmen, vertoeven, verwijlen, blijven. , Het tukt lang, eer het er toe komt. Gij tukte nog al. Zij moesten niet tukken en seffens maar vertrekken.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tokken , tokken , tokkeln , lokken, uitlokken, verlokken; “Tokt ze mit hen ê belt.” = lokt ze (de kiekens) mede naar den mesthoop. Gron. tokken = lokken, verlokken, uitlokken; Kil. tocken = aanlokken; Oostfr. tokken = trekken, lokken; Westf. tocken = lokken; Teuthon. tocken = lokken, aanhalen; Neders. tokken = lokken. Hooft: aantokken = aanhalen, lokken, bij Bild. tokkelen, aantokkelen. Het Nederl. tokkelen = gedurig aanraken, ook = aanzetten, aansporen (v. Dale) is een freq. van het veroud. tokken, volgens ten Doornk. van een Nederd. tok, MHD. zoc, van teiën, OHD. ziohan = trekken. Gron. mittokken = medetroonen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tokken , toeken , tjoeken , voor: naaien; an mekander toeken = dicht naaien, zonder dat men daarbij zorgvuldig en net te werk gaat, ruw naaien; wanten breien door te strikken of strikknoopen te maken; Oostfriesch tuken, tûken = netten en kousen breien of strikken.
aal vangen, nl. prikken of steken met de toek, oaltoek, een lange steel met vier ijzeren punten die van weerhaken zijn voorzien; toekoal = aal of paling, die aldus gevangen wordt. De huid wordt natuurlijk beschadigd, en daardoor vermindert de waarde. Oostfriesch tuken, tûken = met de tuke, âltuke of tûke aal vangen; heutuke = tephoak; zie: teppen. Vgl. ’t Engelsche took (onvoltooid verleden tijd van: to take, in de beteekenis van: vangen, grijpen, vatten), en het Oud-Engelsch tuken.
tjoeken voor: naaien, stoppen, enz.; dichte tjoeken = oude kleeren herstellen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tokken , toeken , tukken, tuksêln , een weinig hinken, met één been trekken. Oostfriesch tukken = trekking in de leden gevoelen, stootende of kloppende beweging van lichaamsdeelen; Hoogduitsch zucken, zücken, Oud-Hoogduitsch zucchen, zukken, zuchen, Middel-Hoogduitsch zucken, zücken = zich hortend, stootend en schuddend bewegen; Nederduitsch, Middel-Nederduitsch Kil. tucken, Angel-Saksisch tucjan, Oud-Engelsch tuken = stooten, bonzen, enz.; Middel-Hoogduitsch zuc, zug, zoc = trek, ruk, van het Oud-Hoogduitsch ziohan, Gothisch tiuhan. Vgl. Noord-Brabantsch met tukken = met horten en stooten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tokken , tokken , lokken, verlokken, uitlokken, medelokken, inzonderh.: hij het mie mitlokt = hij heeft mij medegetroond; hij het mie ’t oftokt = hij heeft het mij afgetroond; hounder tokken = de kippen lokken door voedsel of door het roepen van: tuk tuk! Kil. tocken (Sax. Fris. Sic.) = aenlocken = verleiden, verlokken; Teuth. tocken, locken = aanhalen; v. Dale: tokken (verouderd) = lokken, aanlokken; Hooft: aantokken = aanhalen, lokken, bij Bild. tokkelen, aantokkelen. Drentsch tokken, tokkeln = lokken, uitlokken, verlokken; tokt ze mit hen ê belt = lokt ze (de kiekens) mede naar den mesthoop, ook Geldersch; Oostfriesch tokken = trekken, lokken; hê tokt hum mit fük, of: aferall mit hen; Nedersaksisch, Middel-Nederduitsch tokken = lokken, enz.; Oud-Hoogduitsch zocchôn, Middel-Hoogduitsch zocken, volgens ten Doornk. van een Nederduitsch tok = Middel-Hoogduitsch zoc, Hoogduitsch Zug, dat tot: tijgen, Oostfriesch têen, têjen, tîen, Oud-Hoogduitsch ziohan (trekken) behoort. Vgl. ook: mittokken, en: oftokken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tokken , tükken , Dralen, talmen. Tük nu n(i)eet lange, of î komt nòg te late. Ook Ned. Bet. O. V. II. p. 109. Mnl. tucken – langzaam, met horten en stooten gaan, wachten.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
tokken , toeken* , 1, vergel. Engelsch to take = nemen, grijpen, en vooral daarvan den verleden tijd “took” (spreek uit: toek.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tokken , toeken* , 3: Hoogduitsch zucken; vergelijk: tippen .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tokken , tòkken , Lokken. Tòkdûve, lokduif, die vreemde duiven naar haar hok lokt. òftòkken, òftròggelen, afhandig maken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
tokken , tükken , Dralen, talmen. Tük nu n(i)eet lange, of î komt nòg te late. Ook: even bijten (van visch gezegd). Ook Ned. Bet. O. V. II, p. 109. Mnl. tucken – langzaam, met horten en stooten gaan, wachten.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
tokken , toksen , [toksen] , met een mooi praatje afhandig maken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tokken , tokng , werkwoord, zwak , lokgeluid maken, van haan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tokken , toksn , werkwoord, zwak , grappen maken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tokken , toeken , 1. blijven haken. 2. slordig naaien
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
tokken , tokken , lokken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
tokken , tokke , werkwoord , Kakelen (van kippen).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tokken , tòkke , werkwoord , tokken. Kinderspel dat gespeeld wordt met bikkebolle, forse stalen kogels (zie aldaar). Op een steen heeft elke speler een of meer centen gelegd met het kruis (oppers) boven. Vanaf een meet (streep) probeert men de bikkebol zo dicht mogelijk bij de steen te gooien. Wie er het dichtst bij is mag het eerst tòkke. Door zijn bikkebol op de rand van een cent te laten stuiteren probeert hij hem om te wippen.Als dat lukt is de cent van hem. Hij mag doorgaan tot alle centen op zijn of tot hij mis tòkt. In dat geval komt de volgende aan de beurt etc.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
tokken , toeksen , iets slordig in elkaar naaien.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
tokken , toksen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = hevig verlangen naar iem. Die jong tokst naor dat wicht (Sle), z. ook tokkeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tokken , tukken , tokken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook tokken (Zuidwest-Drenthe) = 1. mank gaan Hij tukt wat mit het rechterbien hij trekt met zijn rechterbeen (Hijk), IJ kunt het haost niet zien, mar hie tukt wal wat (Oos) 2. rukken (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Hej al wat vangen? Nee, maor ik heb beet; der zit ene bij te tukken (Bei) 3. kloppen Het tukt mij in de vinger (Sle), z. ook tukkern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tokken , tukkern , tukken, tukkeln, tokkeln, tokkern, tokken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook tukken (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied), tukkeln (Zuidwest-Drenthe, zuid), tokkeln (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe), tokkern (Zuidwest-Drenthe, zuid), tokken (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. kloppen Die blaor, die tukkert, ...tukt, ...tokt zo (Sle), Wat tokt mie dai vinger (Vtm), De vinger tokt mie het uut (Hav), Het tukkert mij in de vinger (Bro), De bloodvinne tokt zo (Die) 2. geluid van een haan (N:Pei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tokken , tukken , even ophouden, aarzelen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
tokken , toeksen , zie foksen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tokken , tokkn , lokken. Laot oe toch niet altied mee tokkn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tokken , tukkn , wachten, treuzelen. Tuk noe mâr niet langer, gaot noe mâr, anders is ’t te laete. Ook: dutten, slapen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tokken , toekeren , toekelen, tokkeren, tokkelen, tokken , werkwoord , sterk tintelen, prikkelen: van kou of pijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tokken , tokken , werkwoord , 1. tokken: van een vis aan een dobber bij beet 2. het geluid ’tok’ maken door kippen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tokken , tukke , aarzelen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
tokken , toeksen , (werkwoord) , toeksen, etoekst , slordig naaien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
tokken , toeken , toeksen , slecht of slordig naaien; toeke, 1. slordige kleermaker of naaister; 2. plek in kleding die slecht hersteld is; 3. oude vrouw (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tokken , tukken , 1. sabbelen, zuigen; 2. talmen, dralen, wachten.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tokken , tukke , werkwoord , aarzelen (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk); tukke; pauzeren (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tokken , [porren] , toeke , tókke , toektj, toekdje, getoektj, tóktj, tókdje , porren, geniepig stompen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tokken , [mond snoeren] , tukke , tuktj, tukdje, getuktj , iemand lichtjes de mond snoeren , Dae zal ich ins tukke: ik zal hem een toontje lager laten zingen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tokken , tukke , zwak werkwoord , WBD III.4.4:200 'tukken' = machten’ (ongeveer: aarzelen)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal