elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tut

tut , tut , uitroep. Veel hoort men: tut, tut! is ’t anders niet, waarvoor ook gezegd wordt: Och! och! het beduidt niemendal. Ook zegt men wel eens voor eene niet
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tut , dudde , zuster, Marken tutte. Gron. tutte, tutje, voor: meisje, als vleiend woordje bij ʼt aanspreken, in de Ommel. vooral: zus; zijn ʼt kleine meisjes, zuske. Oostfr. dütte, düt, diminut. dütje, voor: lieve, lief meisje. Vergel. ʼt Noordfr. daat, doet, doetge = dochter.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tut , tutte , tutje , voor: meisje, als vriendelijk woordje bij ʼt aanspreken; mien tutte (Oldampt) = mien tute (Goorecht) = mien ol, zus, enz. Bij Laurm.: tuttje = meisje, maar vooral voor een onnoozel meisje. Vgl. ʼt Oostfriesche dütte, düt, verkleinwoord dütje, liefkoozingswoord, voor: dochtertje, lieve, schat, pop, (waarvoor het Groningsch zus, enz. heeft), en het Nederduitsch dutt, Middel-Nederduitsch dutte = gekkin, zottin, welke woorden men eerst schertsend zal gebruikt hebben om later de gunstige beteekenis te behouden. Marken: tutte = zuster.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tut , tut , v , fopspeen, kinderzuigdot; Wa ’n tut! dame, die zich zwaar opmaakt,opdirkt.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tut , töt , de , (Zuidoost-Drents veengebied) = bips Hij is op zien töt vallen (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tut , dudde , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid, wb) = 1. zuster Mien va zei nooitmien zuster”, altiedmien dudde”(Noo), Marchien, wi’j oen kleine dudde gien haand geven? (Rui) 2. als koosnaam O mien lekkere dudde, kom ies hier (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tut , tut , 1) fopspeen; 2) saaie vrouw.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
tut , tutte , zelfstandig naamwoord , de; negatieve aanduiding voor een vrouw: omdat ze eigenwijs, flauw, kinderachtig, achterlijk, ouderwets en/of aanstellerig is
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tut , sjutte , sjut, sjutsje , zelfstandig naamwoord , de; (vaak verkl.) onnozele en/of vreemde vrouwspersoon, tut
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tut , tut , tóét , 1. saaie vrouw; 2. speen, fopspeen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
tut , tut , knikkeren: tut werd, lopend naar en van school, door meerdere kinderen tegelijkertijd gespeeld, een extra grote knikker, de bolder, werd vooruit gegoo
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
tut , tut , tutter , speen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
tut , [speen] , tut , tutter, fopspeen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
tut , tut , tuut , zelfstandig naamwoord , fopspeen (Den Bosch en Meierij); tuut; fopspeen (Eindhoven en Kempenland); tuutje; verkleinwoord; papieren zakje (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tut , tut , (vrouwelijk) , tutte , tutje , 1. tut 2. zeur 3. speen, duimlapje voor kleine kinderen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tut , tut , tutta , zelfstandig naamwoord , "N. Daamen (handschrift 1916) – ""tut gij (loop heen, enz.)""; WBD III.1.4:35 'tut' = domme vrouw; WBD III.2.2:22 'tutten' = spenen; 24 'tut' = speen, ook 'frut'; 25 'tut' = fopspeen; ook 'tutter', 'tutje; Bosch tut - fopspeen; domme vrouw; tut-tut; alle vindplaatsen met 'geen', en dus in de betekenis: 'het is niet niks', dat wil zeggen: 'het is een grote opgave om...'; ...et was ginnen tut-tut om mee zooiets te begiene. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939); ""Dè-d-is geenen tut-tut, man!"" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; NTC 29-10-1938) ; ...""'t is toch geenen tut-tut om zóó'n lang gedicht in mekaar te draaien...” (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 9; NTC 26-11-1938) ; ...Een en tachtig jaar, 't is geenen tut-tut, ik wil 't er veur doen! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); De Baokelsche kerk stond; te dicht bij de straot; ""'n fout van den dommen; pastoor"", waar de praot. 't Waar geenen tut-tut om; 'n nuuwe te bouwe; (Piet Heerkens; uit ‘Vertesselkes, ‘De kerk verdouwd’, 1944); 2. tussenwerpsel; WNT TUT, tuttut - (v) tussenwerpsel - 1) uitroep als uiting van verwerping, afkeuring, misnoegen, ongeduld en derg. 2) uitroep om aan te sporen tot matiging, kalmte, dan wel om te sussen; 3) uitroep van verbazing; Cees Robben – Tut-tut, Siebil.. (19570803); tutta; vriendelijke scheldnaam voor een vrouw; vergelijk ‘tut’ en ‘tuthola’; Cees Robben (19820924)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal