elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuttelen

tuttelen , tuttelen , zeuren, iets niet flink aanpakken.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
tuttelen , tüttelen , (zwak werkwoord) , zeuren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tuttelen , tuttelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Teuteren, onhandig bezig zijn. Zie tutteren. || Wat zit je te tuttelen; ken-je ’et weer niet redden (klaar spelen)? – Vgl. Stad-Fri. tutte, sukkeltje, van vrouwen gezegd (O. Volkst. 2, 180). – Ook teutelen, tottelen enz. komen elders in soortgelijke opvattingen voor; zie b.v. DE JAGER, Freq. 1, 752, 768 en 785.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tuttelen , tottelen , [totәln] , kletsen, zeuren
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tuttelen , tuttele , werkwoord , middagdutje doen (KRS: Wijk) Van werkelijk slapen komt niet altijd even veel: telkens komt er wel weer iemand binnenvallen. Dat onderbroken karakter is het verschil tussen tuttele en slape .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
tuttelen , tuttele , werkwoord , zuigen (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal