elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tweedens

tweedens , twins , de tweede keer. In navolging van: ins; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tweedens , twijdens , tweidens , in de tweede plaats, ten tweede.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tweedens , twiddes , telwoord , tweede. Ge kòmt twiddes makker! Je vist achter het net.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
tweedens , twiddes , als tweede , Ik was'ser al vruug hènne gegôn, mér ik was wél twiddes, 't was al ûtverkocht. Ik was er al vroeg heen gegaan, maar ik kwam wel tweedes, het was al uitverkocht.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
tweedens , twiedens , bijwoord , tweedens, ten tweede
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tweedens , twiedes , (zelfstandig naamwoord) , de tweede. IJ is twiedes ewörren ‘hij is op de tweede plaats geëindigd’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
tweedens , twiddes , bijwoord , op de tweede plaats (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tweedens , twiddes , twids , telwoord , als tweede; te laat; ten tweede; Gij komt twiddes (je had er eerder moeten zijn); Je komt te laat (vist achter het net); Zoo kwaam 't dan dè Jantje [de baanrenner Jan Pijnenburg] en den Bras [en zijn koppelgenoot Braspennincx] - al waren ze in 't geheel twiddes - toch de recordhawers van den 144-minuten koppelwedstrijd geworden zèn... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929); WNT TWEEDE(N)S, tweeders, twee(d)s(t) - ten tweede, in de tweede plaats; (als) de tweede, in het bijz. bij kinderspelen; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TWEEDENS (twiddes) bijwoord - te laat, speciaal gezegd in het geval dat aan op tijd komen enig profijt verbonden is, meestal in verbinding met 'komen': hij kwaam(p) twiddes. A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; telw. 'tweedes' - tweede (ook attributief.); Jan Naaijkens - Dès Biks – (1992) - twiddes tw - tweede
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal