elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vaak

vaak , vaak , slaap. Vakerig = slaperig, slaapachtig.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
vaak , vaak , Slaap, en vakerig, slaperig. Gepersonifieerd als een soort van Morpheus, komt vaakKlaas Vaak –voor bij Langendyk, als: ‘Klaas Vaak, Mama, sluit reets myne oogen.’ (Ged. 1721, 429.) en bij van Zeggelen: ‘Kleine kleuter, moedersgekje, / Danst Klaas Vaak niet om je heen? / Moet klein Jantje naar zijn bedje? / Is hij moegedribbeld? – Neen!’ (Hoofd en hart, 1855, blz. 37.) als ook in het rijmpje, waarmeê men de kleinen in slaap zingt: ‘Klaas Vakeling, / Die komt den schoorsteen in, / En komt in …. [hier noemt men den naam van het kind] oogjes in.’ Van vaak hadden wij een werkwoord vaken, slapen, waarvan het frequentativum vakeren (vaeckeren) voor slapen, sluimeren, bij Kiliaan staat aangeteekend. Bilderdijk vormde daarvan ontvakeren, voor wakker worden, zie Dr. de Jager, Proeve over den invloed enz. blz. 44.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
vaak , vaak , wordt gebezigd voor soms: men zegt: zou hij vaak ook iets willen hebben of doen?
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
vaak , vaak , (mannelijk) , [weinig gebruikelijk] slaap.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
vaak , vake , (bijwoord) , dikwijls, soms.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
vaak , faok , vaak , (mannelijk) , slaap.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vaak , vaak , vake , (bijwoord) , dikwijls, soms; zòl ě vaak wat willen hebben?
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vaak , vak , fak , in: te vak goan (Westerkwartier) = naar bed gaan, eigenlijk zooveel als: den slaap zoeken. Oud-Friesch fac = vaak, slaap; oudtijds vaken = slapen; vakeren = sluimeren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vaak , voak , voor: gewoonlijk, meestal, in den regel; zundags geit ʼr voak oet stad (Westerkwartier)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vaak , voak , (zonder klemtoon) voor: gewoonlijk, meestal, in den regel, bvb. Zundags gait ʼr voak oet stad; in ʼt Nederlandsch alleen “vaak” = dikwijls.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vaak , vääke , vaak
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vaak , vaake , bijwoord , vaak
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
vaak , voaken , vaak
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
vaak , vaeke , dikwijls.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
vaak , vaeke , vaak.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vaak , vaak , vaok, vaeke, vake , bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook vaok (Noord-Drenthe), vaeke (Zuidwest-Drenthe, noord), vake (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = dikwijls Boven het waeter hangt vaeke mist (Dwi), Wij hebt het daor vake mit te stellen (Hgv), Hij is der kind an hoes, hij komp er zo vake (Hijk), Ze gaon vaok vort ’s aovends (Pei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vaak , väke , vaak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vaak , vaeke , vaak.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vaak , vaok , slaap , És ge vaok héd dan moet’te tebèd gôn én’ner nie teegenin vééchte, dé verlies’de toch. Als je slaap hebt dan moet je naar bed gaan en er niet tegen in vechten, dat verlies je toch.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vaak , vaak , zelfstandig naamwoord , de; vaak, neiging tot slapen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vaak , vaeke , bijwoord , vaak, niet zelden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vaak , vaok , zelfstandig naamwoord , slaap, vaak; slaap Ik rol om van de vaak Ik val om van de slaap
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vaak , veeke , bed
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
vaak , vaeke , vake , (bijwoord) , vaak.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vaak , vaak , misschien.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
vaak , vaok , zelfstandig naamwoord , slaap (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal