elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vaart

vaart , voart , een rijweg die dwars door een beek loopt; onderscheiden van vaart, kanaal. Van hier de namen der landhoeven in den omstrek dier doorreden gelegen; b. v. het Aver-voorde, het Kruus-voorde, enz. onzijdig omdat er huis onder verstaan wordt. Van hier reeds het furtum der ouden in Franco-furtum, [der Franken doortrek over de Main], Frankfort. Van amere [emmer] amese, [thans Eem] en voart, Ameres-voart, de weg over de Eem, nu Amersfoort.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
vaart , vaort , (vrouwelijk) , vaart.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
vaart , vaart , (vrouwelijk) , vaart.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vaart , voart , voorbijgaan van rijtuigen; doar is ʼn bult voart = daar passeeren dagelijks veel rijtuigen; is van doag veul rid op de weg = men ziet van daag veel rijtuigen op den weg; – voart achter zetten = met volle kracht werken. Zegswijs: dat steet de voart nijt = dat belet het doorgaan der zaak niet. (steet hier = stuit. Zie: voaren, en: rid.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vaart , vaart , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast veert. Zie de wdbb. || Me man is op de vaart (met de schuit voor enige dagen of weken uit vissen). Dat zel zo’n veert niet lopen (het zal wel loslopen, daar zal zoveel kwaad niet uit voortkomen). So neemt het (een schip dat van stapel loopt) selfs een stercke veert, en schiet alleskens self voor uyt, Saenl. Wassende Roos 10. – An de veert zijn, op gang zijn (de Wormer). || Hij is al an de veert (is al begonnen). As ik ienmaal an de veert ben, ken ik niet uitscheije. – De vorm veert is eveneens elders in N.-Holl. gebruikelijk, ook in de zin van gegraven vaarwater; vgl. LAMS 520 (“de ouwe Veert”, onder Uitgeest) en Kaart v. d. Uytw. Sl. 11 (“de Veert” en “de Veert Sloot”, benoorden Alkmaar).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vaart , veert , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie vaart.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vaart , vaartĕ , vaart, (in ’t bijzonder de Dedemsvaart).
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
vaart , vaort , v , ’t Zal zò’n vaort wel nie lope! Het zal wel meevallen; bedevaart. De beroemde vaort van Boxméêr. De bloedprocessie van Boxmeer.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vaart , veert , zelfstandig naamwoord de , 1. Vaart, gang. 2. Vaart, sloot. Zegswijze mit dezelfde (dezelvende) veert, tegelijkertijd. | Je moete toch die kant op, doen mit dezelfde veert efkes deuze brief op de bus. – An de veert weze, aan de gang zijn, bezig zijn. – ’t Goed an de veert hewwe, goede zaken doen, vooruitboeren. – An de veert gaan, vertrekken, aan de gang gaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vaart , voort , vaart.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vaart , vaort , de , 1. watergang (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Klaos gunk elke dag mit het melkbokkie deur de vaort um de pullen op te halen (Hgv), Een vaort is brieder as een wieke (Uff), De vaort lig dicht (Sle), Hij naamp de hiele vaort mit van een schaatser die met brede streken over het ijs gaat (Dwi) 2. snelheid (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Doe mags ok wel is wat vaort maken (Klv), ...vaort achter het waark zetten (Gie), Hai mos der in volle vaort opspringen (Vtm), Zij hebt de vaort er goed in (Gro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vaart , vöört , vaort , (Kampen) vaart. Ook: vaort (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vaart , vaert , voort , vaertien , vaart. Hie hef der de vaert in; vaertien, 1. vaartje, klein kanaal. 2. geringe snelheid, vaartje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vaart , vôrt , kanaal , We hôn wél gin kenaol mér krék oover de bèlze grèns daor lag de vôrt. We hadden wel geen kanaal maar net over de Belgische grens daar lag het kanaal.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vaart , vaosie , zelfstandig naamwoord , de; flink tempo, flinke vaart
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vaart , vaort , veert , zelfstandig naamwoord , de 1. vaart, snelle beweging 2. het varen met schepen 3. kanaal, gegraven waterweg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vaart , vaert , zelfstandig naamwoord , vaertie , veedrinkplaats (soms bestraat)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vaart , vaert , zelfstandig naamwoord , vaertie , 1. vaart, snelheid Ik ree d’r meddun vaertie naer toe 2. roulatie Hij is al een tijdjie uit te vaert 3. scheepvaart De grôôte vaert is de de zêêvaert
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vaart , vaert , zie: vöört.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vaart , vöört , (zelfstandig naamwoord) , 1. vaart, gang. IJ ef de vöört ter goed in; 2. kanaal. Zie ook: vaert.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vaart , vort , heimwee , hij had zo’n vort dattie trug gekome is = hij had zo’n heimwee dat hij is teruggekomen- vort hebbe da’s jil èèreg = heimwee is heel erg
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
vaart , vaort , zelfstandig naamwoord , heimwee (Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vaart , vaart , (vrouwelijk) , vaarte , vaertje , 1. snelheid, spoed 2. oprijweg naar de boerderij , Mèt ei vaartje kwaam d’r aangefietsj. Örges vaart achter zètte.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vaart , vaort , vòrt , zelfstandig naamwoord , vòrtje , "1. heimwee, verlangen naar vroeger; Cees Robben – Meej vaort in m’n hart (19570706); Cees Robben – ’t vaort me, jandoome... (19590207); ● in uitdrukkingen met ‘kuntje’:; Cees Robben – Toen ie weg was zin ze ammol/ Det z’n kuntje vaoren zô...(19670623); R ...dan denk ik meej vaort in men hart... uitdr. vaort/vòrt hèbbe - heimwee hebben; Int begien haj veul vort. N. Daamen, Handschrift 1916 - ""voart - hedde nie veul voart gehad (is het je in 't eerst niet vreemd geweest?)""; - Al die maonden mee in R. gebeuret mèn dikkels de’k wir is vaort heb nor m’n Tilburg. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Om honderd en één kleinigheike hèk vaort gehad, soms stillekes gejankt as in keind. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Henk van Rijen - int begien haj veul vòrt - aanvankelijk had hij veel heimwee; Stadsnieuws -  Hij wont naa in Gôol, mar hij heej zon vaort nòr de stad. (190709); WBD III.1.4:275 'vaart' = heimwee; 276 'vaart hebben’ = heimwee hebben. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; znw.m. 'vaor' - vaar, onwennigheid: 'Hij hee niks geene vaor gehad. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAART znw.v. - Vaart hebben - niet gewend worden, heimwee hebben. Hees vaort hèbbe (II:45) + (V:33); Str. vaort (2:37); 2. vaart, snelheid; Omslaon kos ze nie want ze stond zoo wè op den bojem, mar ak naa mee innen stok men eige wè lichtte, dan schoot die kiest vort, en zoo wier er gevaore dèt liefhebberij was. ’t Gong ten leste mee zoo’n vaort, dè de golven over de kaant henen spuulden. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Cees Robben – In ’n raozende vaort... (19541211); vòrt - vaart, heimwee, snelheid; Cees Robben – Wie heej gin haost en nôôt gin vort... (19570615); WNT VAART (III) - toestand waarbij het iemand vaart, waarbij hij ergens niet wennen kan of heimwee heeft. Alleen in Brabant. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - blz. 630 ... voor hetgeen wat elders heet 'het zal hem afvallen' zegt men hier 'het zal hem varen'. Het zelfst. nw. vaart is in denzelfden zin hier gebruikelijk; vòrtje - dim. vaartje; Meej en vòrtje van sisteg; Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vòrtje; – dim. van 'vaort', met vocaalkrimping"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal