elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: varig

varig , varig , willig, van koeien, Gron. bōls, bōlsk. Van: var = jonge stier. Zie: bōls.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
varig , vaorig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidwest-Drenthe) = tochtig van een koe Die koe is vaorig, wie giet er mit hen de bolle? (Ruw), Ik dèenke det die koe vaorig is; zij is an het repen (Hgv), z. ook bols
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
varig , varreg , bijvoeglijk naamwoord , tochtig, van een koe gezegd (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal