elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vatten

vatten , vaten , varten , de schooven op den zolder (de balken) opslaan, bergen; Kil. – Overijs. vatten, Neders. vaten, HD. das Korn fassen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vatten , vaeten , vaten , bevatten; ook = bergen; hij wöl in oez hoes rogge vaeten.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vatten , vatten , (zwak werkwoord) , vatten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vatten , vaten , (zwak werkwoord, transitief) , Vatten. Thans verouderd, doch vgl. de afleidingen vaat en handsvatel. – Eertijds ook in de samenst. aanvaten en vervaten. || Ik wil met ’t oudejaer de oude mensch verlaten, en met ’et nieuwe weer de nieuwe mensch aenvaten, SCHAAP, Bloemt. 139. Alles wat inden voor-geroerden Accoorde vervatet ende begrepen is, Priv. v. Westz. 507 (a° 1656). In het selfde vervaet hy (Tacitus) al ’et geen ick voor dees tijt van de Batavieren meen te seggen, SOETEBOOM, S. Arc. 9. Wat ’er noch meer van ’t Eilandt (t.w. het Schermer-eiland) en zijne Dorpen te seggen valt, sal ik in een groot werk ... vervaten, ald. 505. – In de Middeleeuwen en bij 16de- en 17de-eeuwse schrijvers is de vorm vaten zeer gewoon; vgl. OUDEMANS 7, 222, en VAN HELTEN, Vondel’s Taal § 37.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vatten , vätten , vatten, pakken, begrijpen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vatten , vatte , nemen, drinken ’n Tas koffie vatte Een kop koffie drinken; omarmen ’n Meidje vatte Een meisje, vriendin omarmen; beetnemen Iemes vatte Iemand beetnemen; drinken D’r énne gón vatte Een borrel gaan drinken; oplopen ’n Stevige
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vatten , vatten , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. vatten, pakken (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Ik heb de koe al zo vaak bij de bol had, mar hie wil het niet vatten wil niet drachtig worden (Zwe), Hij vatte het knien bij de oren (Ruw), Zulle wij der nog iene vatten? nog een borrel nemen (Dwi), Zien va vatte hum in de krage (Bei) 2. begrijpen (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) Hij vat het fiene van de zaak niet (Sle), Dat kan ik nog niet vatten (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vatten , vaoten , vatten , (vattum) vangen.biyen vaoten, een bijenzwerm vangen, pakken. we gaon d’r ènne vatten, we gaan een borrel of biertje drinken. vattum, pak hem.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
vatten , vatten , werkwoord , vatten, begrijpen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vatten , vâttn , 1. aanpakken, vast pakken. Op de Eperweg heb z’em evât. 2. bevatten. Hie kan 't mâr niet vâttn. 3. raken. Zie konn hum mâr niet vâttn met de sneeballn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vatten , vatte , pakken, nemen , Haauwe wag’ge héd én vatte wag’ge kriige kunt. Houden wat je hebt en pakken wat je krijgen kunt. Egoïstisch denken en de anderen laten stikken.
Ge moet nie alles vatte, 'r zén'ner nog miir die iet wulle, anders is'ser strak niks mér. Je moet niet alles nemen, er zijn nog anderen die iets willen, anders is 't straks op.
Verleden tijd viet. Héij viet me vaast, héij zoow'wer ópgeslaoge hébbe, héij mônde dék'kem verraoje hôj. Hij pakte me vast, hij zou er opgeslagen hebben, hij meende dat ik hem verraden had.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vatten , vatten , werkwoord , vatten: vastpakken, beetpakken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vatten , vatte , pakken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
vatten , vatte , viejt, gevat , grijpen, vatten , Hèij viejt ernéffe. Hij greep mis., Dè boek hék zoo vur ’t vatte. Dat boek heb ik zo voor het vatten. Ik weet het precies te liggen, Èrpel hék âlt vur ’t vatte. Aardappelen heb ik altijd op voorraad.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vatten , vatte , werkwoord , pakken, nemen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vatten , vatte , sterk werkwoord , vatte - viet - gevat , "nemen, pakken, grijpen, vatten; - ie steeds kort; De verleden tijd lijkt recentelijk (2007) voor te komen als 'vatte': Dan liep ze nor de schouw/ èn vatte daor en dôos/ waorin segaare zaate,/ waor hij der êen van kôos. (Henriëtte Vunderink; De Pestoor; k Zal van oe blèève haawe, 2007); Audio-opname 1978 – “…èn dan liet hij em mar lòs want hij vatte aatij de grotsten deugniet hè... (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013); - Toe, vatter nog êene. - Kom, neem er nog eentje. Van Delft - ""Hij is in de wol geverfd"" zegt men, evenals: ""Er vat niks op"", van iemand die zich nergens aan stoort en z'n gang gaat. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929); Och, zôo heej ieder jaorgetij / iets wè ge wèl wardeert/ agget mar vat zôo asset komt/ èn nie veul lammenteert (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Joargetij‘); Pierre van Beek - Hij kós zene jas vatte - hij werd ontslagen (Tilburgse Taaklplastiek 170); Pierre van Beek - (gevleugeld woord van wijlen Kupke Wagemans) Vat ze zó as ze zèèn, want aanders krèèder gin. (Tilburgse Taaklplastiek 731124); Henk van Rijen - ze hèn em nôot nie kunne vatte - ze hebben hem nooit kunnen pakken; In un kefeeke der êene vatten om den dorst te lesse… (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); De tèèd die vloog dan en vur degger èèrg in hadt stonde in extase elkaar te kussen en te vatten. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Dè haawt ie nôot vol en is ons Lia van dieje kèrel, dieje snotneus verlost, dòchte die baozige aawere zusters, dieter zelf aaltij neffe gevat han. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); WBD III.4.2:57 'vatten' - grijpen door roofdieren; ook genoemd; 'klampen' of ‘vangen’; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vatte (krt. 32 en blz. 169); A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vatten - pakken; WBD III.3.1:352 'vatten' = betrappen; 353 'vatten' = arresteren; WBD III.1.2:81 'vatten' = heffen; ook 'heffen'; WBD III.1.2:87 'vatten’ = pakken, voor de dag halen; WBD III.1.2:89 'vatten' = grijpen (naar); WBD III.1.2:90 'vatten' = weggrissen; ook: 'gritsen, ritsen, ratsen'; WBD III.1.2:100 'vatten' = omvamen, omarmen; WBD III.1.2:128 'zijn (de) biezen vatten' = op de loop gaan; WBD III.1.2:294 'een kou vatten = een verkoudheid hebben; WBD III.1.4:32 'vasten' = begrijpen; WBD III.1.4:376 'er vijf vatten' = even ophouden met werken; WBD III.3.1:373 ‘vatten’ = inbeslagneming; verleden tijd van 'vatte', dat ook zwak vervoegd wordt; vatte; Cees Robben - 'en ze viet 'n lepke vaast'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal