elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: venter

venter , venter , een koopman, die zijne waren aan de huizen veilt.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
venter , venter , de , venters , venter Vrogger kwaamp de venter an de deure (Hgv), Een venter met negotie hef knopen, gaoren en rek (Zey)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
venter , venter , zelfstandig naamwoord , leurder, koopman die van deur tot deur gaat (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
venter , venters , ongure mannen; wordt alleen in meervoud gebruikt; da liepe ’n paar enge venters
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal