elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verschillen

verschillen , [verschil maken] , verschillen , verschelen. , Dat kan mij niet - . Zie Schillen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
verschillen , verschelen , schelen, en: verschillen; ’t ken mie niks verschelen = ’t kan mij niet schelen, daaromtrent ben ik onverschillig, en ook: ik doe het, wat er de gevolgen van mogen zijn, (ruw uitgedrukt: ’t ken mie nijt verdommen); ook Oostfriesch, Nedersaksisch; zij verschelen = schelen nijt veul in ’t older = zij verschillen niet veel in jaren, of: zijn bijna even oud.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
verschillen , verschelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Verschillen. || Dat verskeelt nagal wet (wat). – Ook elders gebruikelijk, en ook bij vroegere schrijvers; zie de wdbb.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
verschillen , veskeln , werkwoord , neet kùnn veskeln, niet kunnen schelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
verschillen , verschille , werkwoord , schelen. ’t Kan me niks verschillen. Het laat me onverschillig. Ik trek er me niets van aan. Maar het kan ook een quasi-nonchalante uitdrukking zijn voor iets dat men eigenlijk toch wel graag heeft.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
verschillen , verschillen , zwak werkwoord, overgankelijk , verschillen Wij verschilt dreei jaor in leeftied (Nije), Zij verschilt nogal van mekaar (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verschillen , verschillen , verschelen , werkwoord , 1. verschelen, verschillen 2. kunnen schelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verschillen , verschelen , verschaelen , schelen, verschillen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
verschillen , verschille , werkwoord , schelen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
verschillen , versjille , (onzijdig) , versjille , versjilke , verschillen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
verschillen , verschille , zwak werkwoord , verschille - verschilde - verschild , schelen, verschil uitmaken; Et kan mèn niks verschille. - Het maakt mij niets uit. ... dè kan ze niks verschille. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ge zèèt voetballer òf nie); R.J. 'mar dè kan óns niks verschille'; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - ‘verschillen'- Het kan mij niet verschillen, voor verschelen. Z.a. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zw.ww.intr., 'verschillen' - schelen; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSCHILLEN - schelen, raken, aangaan: 't kan me niet verschillen. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - verschille ww - schelen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal