elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verspelen

verspelen , verspelen , (spreek uit verspöllen), verliezen, men zegt: ik heb in de veurige maond miin vader verspöld (door de dood verloren).
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
verspelen , verspelen , verspeulen , verloten, bij het lot verdeelen. Zie: speulen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
verspelen , verspö̀llen , (zwak werkwoord) , verliezen (in alle beteekenissen); de vörige wekke he ’k mîn vader verspöld; ’k hebbe vö̀lle geld verspö̀ld bi dat peerd.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
verspelen , verspö̀llen , vespö̀llen , Verliezen, vooral bij koop of verkoop. Ik heb geld an dat peerd, dat hü̂̂s verspö̀ld. Ik heb ʼn bul an Jan verspö̀ld. (Hij ziet er veel slechter uit, dan toen ik hem ʼt laatst zag). Mîn kidde hef in de laaste tîd vleis verspö̀ld.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
verspelen , verspö̀llen , vespö̀llen , Verliezen, vooral bij koop of verkoop. Ik heb geld an dat p(i)eerd, dat hü̂s ve(r)spö̀ld. Ik heb ʼn bul an Jan ve(r)spö̀ld. (Hij ziet er veel slechter uit, dan toen ik hem het laatst zag.) Mîn kidde hef in de laatste tîd vleis ve(r)spö̀ld.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
verspelen , verspiöllen , verspiäölde, verspiäölt , verspelen, verliezen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
verspelen , vespuln , werkwoord , verliezen, van spel of strijd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
verspelen , verspeule , verspulde, verspuld , verspelen, verspeelde, verspeeld; verliezen, verspelen Ik héb ’t léllek verspuld b.v bij het kaarten; ’k Héb veul án ’m verspuld! Hij is in mijn ogen veel ongezonder geworden.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
verspelen , verspeule , werkwoord , verspelen, verliezen. 1. ’k Hè veul on ’m verspuld. Met zijn heengaan heb ik een ernstig verlies geleden. 2. On d’n dieje is niks verspuld. Laat ’m maar gaan. Hij is geen knip voor zijn neus waard. Zie ook: verlieze.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
verspelen , verspöllen , verspöllen, verspöld , verspelen, verliezen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
verspelen , verspeulen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. verliezen, verspelen Hij hef mit blikgooien heil wat centen verspeuld (Bco), Jonges hebben het nait goud daon, dai hebben weer verspeuld verloren met voetballen (Vtm), Aj kaortspeulen, kuj ok verspeulen (Nor), Daor hej niet veul an verspeuld, daj der niet waren aan gemist (Sle), Die poeha hef het altied ewunnen en nooit verspeuld (Eli) 2. aan het kortste eind trekken Hij kan de kop er wel tegen holden, maar verspeulen döt hij het toch (Ruw) 3. (geschreven als verspelen) verloten, bij het lot verdelen. Van ouds verwerpen (wp)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verspelen , verspeulen , verspelen, kwijtraken. hij hè veul verspeuld, tijdens zijn ziekte is hij erg zwak geworden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
verspelen , verspeulen , 1. verspelen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: moeten onderdoen. Ik bin an oe verspeuld ‘je ziet er slechter uit dan een tijdje geleden’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
verspelen , verspeuln , verspelen, verliezen. Wie verspeult te veule tied. Daor hek aoreg wat op verspeuld.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
verspelen , verspeule , verliezen, verspelen , Iet van wàèrde verspeule is veul érger és iet kwiit geraoke wa niks wérd is. Iets van waarde verliezen is veel erger dan iets verloren raken wat geen waarde heeft.
Wa nen hónd wint meej lóópe dé verspul’tie meej zéijke. Wat een hond wint met lopen dat verliest hij met pissen. Het is van hollen en stilstaan.
Voltooid deelwoord verspuld. Ge héd zeeker veul verspuld meej't kaorte, 't góng èùw nie goed af deze kiir. Je hebt zeker veel verloren met het kaarten, het ging je niet voor de wind deze keer.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
verspelen , verspeulen , werkwoord , verspelen: met spelen verliezen, verbeuren, z’n kans verspelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verspelen , verspeule , werkwoord , verspeul, verspeulde, verspeuld , verspelen, kwijtraken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
verspelen , verspéúle , verspeule , verspelen, kwijtraken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
verspelen , verspöllen , (werkwoord) , verspöllen, verspöld , verspelen, verliezen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
verspelen , verspeule , verspuld , verspelen, verspeeld, verloren , Bèij ’t rikke verspeul ik nojt veul. Bij het rikken verspeel ik nooit veel. , Ik bén veul èn ’m verspuld. Ik vind dat hij er veel minder gezond uitziet.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
verspelen , verspeule , werkwoord , verliezen (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
verspelen , verspuuele , verspelen , Ziene ganse kraom haet d’r verspuueldj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
verspelen , verspeule , zwak werkwoord , verspelen, kwijtraken; PM missen in iemand (m.b.t. fysieke achteruitgang); Frans Verbunt (1996) - khèb sins fleeweek veul òn onze Jaonus verspuld - ik zie dat hij achteruit gegaan is; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - verspeule ww - verspelen; – verspeule - verspulde - verspuld; – ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verspult; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSPELEN, in 't N. der Kempen: VERSPEULEN - verspelen, verliezen, kwijtraken; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VERSPELEN (verspeule) l) kwijtraken bij het spel, resp. het spel verliezen; 2) kwijtraken in andere omstandigheden, ook buiten eigen schuld, bv. een ongeboren kind of een vrouw; 3) missen in iemand, gezegd v. fysieke achteruitgang: ik heb er veul on verspuld - hij is hard achteruit gegaan. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zw.ww.tr. 'verspuilen, verspeulen' - verspelen, verliezen; z'n vraauw verspuile - zijn vrouw door de dood verliezen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
verspelen , verspeule , verspelen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal