elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vet

vet , vetje , (van vet). Winstje, voordeeltje, buitenkansje, onverwacht en ongehoopt bijvalletje of gelukje: ergens een vetje afhalen; binnenvetje, eigenlijk een slachtbeest, dat, schoon uitwendig zich niet vet latende aanvoelen, echter aan binnensmeer meêvalt; overdrachtig iemand, die meer weet en is dan hij uiterlijk toont, die de knepen achter de mouw heeft, van een meisje of vrouw gezegd, ofschoon in geen slechten zin op te vatten.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
vet , vet , wordt gezegd van het weder: zoel, mild.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
vet , vet , (onzijdig, bijvoeglijk naamwoord , vet; vruchtbaar; ’t is vet weer; uitroep in jongensspelen; ij bünt vet, gij scheidt er uit. Zie vetvangen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vet , vet , vet wezen = dronken zijn. Spreekwoord: Hou eerder in de waide hou gauer vet = vroeg (in den avond) begonnen met drinken, vroeg dronken. Meestal schertsend.
vet - moager.Kinderen hebben een tijdverdrijf of spel, waarbij de een een voorwerp verstopt ’t welk de anderen dan moeten zoeken; vet is hij (of: zij) die er dichtbij, moager, die er ver af is. Die zoekt vraagt nu en dan: vet of moager? waarop de andere, dikwijls om er een eind aan te maken, het antwoord geeft, en ook wel meer, bv.: vetter, al vetter, of omgekeerd. Hetzelfde hoort men bij het zoeken van plaatsnamen op de kaart. Elders in ons land heeft men hiervoor: heet en koud.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vet , vet , (zelfstandig naamwoord); nog wat in ’t vet hebben = nog iets hebben te deelen, te verteren, te vereffenen, enz.; iemand in zien vet loaten smoren = hem doodzwijgen, en veronderstelt dat men zoo iemand daarmede het ergste straft; meestal getuigt het echter van machteloosheid om zich te wreken; iemand zien vet geven = hem met woorden tot zwijgen brengen, beschaamd maken. Spreekwoord: ’t Vet wil boven drieven, ook: Smeer wil boven woater wezen = die de macht heeft wil heerschen; de mindere moet voor den meerdere onderdoen. Stelregel der geldaristocratie. Als het pas geeft wordt er bijgevoegd: moar ’t schoem drift nog altied boven ’t vet. – Met eenige wijziging ook: Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch, Oldenburgsch, Meurs. Lipsland, Aken, Noordfriesch. Zie ook: spekmoal en: vet-moager.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vet , vet , (bijvoeglijk naamwoord) , zie een zegsw. op schotel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vet , vet , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zegsw. Hij kijkt net as acht dagen slecht vet (of: vier duiten vuil vet), voor: hij ziet zuur. – Vgl. de samenst. berevet, kanarietjes-vet en kruidvet.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vet , vet* , vergel. vat * en vet moager *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vet , vet van de romme , o , room van de melk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vet , vet , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: jus. ’t Vet is van de ketel, de rijke, royale tijd is voorbij.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vet , vet , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze vet weze, 1. Ontslagen zijn 2. Dronken zijn. – ’n Vette slag, slag die veel punten oplevert (kaartterm). – ’t Is altoid vet in ’n aâr z’n skuttel, men denkt altijd dat een ander het beter heeft. Vgl. Fries it is altyd fet yn oarmans skûtel.– Vet in z’n toid weze, voorheen gezegd van een knecht of meid die vóór de beëindiging van het dienstverband ontslag had gekregen of weggelopen was.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vet , vet , bijvoeglijk naamwoord , dronken (LPW: Bens, Lop, Cab, Pols) De vaste uitdrukking luidt: vet als een leier (van ‘Maleier’) (Cab) In de betekenis ‘erg nat’ door Van der Ent (1988, p. 109) in haar studie van het Krimpenerwaards aangetroffen in Ouderkerk aan den IJssel en Gouderak. In Van Dale (1992, p. 3391) in deze betekenis als Bargoens beschouwd. Volgens Stoett (1943, dl. II, p. 149) betekent vet zijn eigenlijk: glimmen door de drank. In Oostnederlandse en Duitse dialecten hoort men ook wel dik zijn , of verbindingen daarmee (denk aan het liedje van Normaal: De hoofdman was knuppeldik ).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
vet , vet , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , vet Die koe moew mar dreug zetten, die wo’k vet hebben vetmesten (Schn), Je mouten de koien altied goud uutmelken; het lèeste is het vetste (Eco), Hij is zo vet as modder (Zey), ...een zwien (Bor), ...een gaanze (Sle), ...een slak (Emm), ...een iggelvarken, ...een molle (Rui), (fig.) Het wordt oe gauw vet toe erekend gezegd als iem. zich met andermans zaken bemoeit (Mep), Het te vet hebben door elk benijd worden (N:Sle) *Een goeie haan is niet vet gezegd van een magere man (Eri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vet , vet , het, de , vetten , 1. vet Der lig een laoge vet op, op die soep (Hgv), Wij moet nog vet oetmaken vet plukken, vet en weefsel scheiden om kaantjes te krijgen (Sle), (fig.) Hij is der sliepsteert tusken oet gaon, hij haar zien vet was afgetroefd (Bco), Wij hebt het met mekaor in het vet hebben ruzie (Dro), Hij zet altied vet in andermans schöttels andermans spullen lijken hem altijd beter (Dwij), Daor is wat in het vet, een brulofte of zo heeft men wat in het vooruitzicht (Hav), Het was één vet ofnimmen, zee de moouder, toen ze in eein keer twee kaasten kocht veur de dochters, die kört nao mekaor zulden trouwen (Gas) 2. jus Doe mij even wat vet op de eerappels (Klv), z. ook stip *Het vet wil boven drieven, al is het ok van een hond (Zwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vet , vet , vet. Zo vet as aol
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vet , vét , vet, beste , Ôn alles wa draojt moet zówa vét ôn, anders lóó'pet strak of méérege hillemôl vaast. Aan alles wat er draait daar moet vet aan, anders loopt het een keer helemaal vast.
Ut boere was nog nie zó sléécht, mér teegewórreg is't vét 'r af. Het boeren was nog niet zo slecht, maar tegenwoordig is het beste er vanaf.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vet , vet , bijvoeglijk naamwoord , 1. vet 2. vies door vet, bijv. een vette autorute. vette schaopewolle 3. met hoge opbrengst, in hoge mate voorzien van, bijv. vet vene met een hoog gehalte aan echt veen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vet , vet , zelfstandig naamwoord , et; vet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vet , vet , 1. vet; 2. room; 3. jus; 4. in samenstellingen: feestmaal, gelegenheidsmaal.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
vet , vet , zelfstandig naamwoord , room (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vet , vèt , vètter, vètst , vet, dik , Dao höbs se eine vètte aan. Dao bès se vèt mèt!: daar heb je niks aan. Zoea vèt es ei verke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vet , vèt , (onzijdig) , vet , Väöl vèt aete is neet gezóndj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vet , vèt , bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord , "vet; WBD vruchtbaar (van akkerland) (Hasseltse term); Van Beek - ""Vet as 'n slèk"" (slak). ""Slekvet"", ""Vet als olie"". ""Rotvet"". ""Zo vet as 'n mispel"".  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959); Van Beek - ""Nou is 't vet van de romme"" (melk). Er is weinig meer te verdienen.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nie veul vèt van schèùm (Kn'50) - van de wal in de sloot; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te vèt, Bèt, twee keer van doen ('50) - aansporing tot zuinigheid; WBD III.3.1:245 'zijn vet meegeven' = scherp de waarheid zeggen; WBD III.1.4:423 'iemand zijn vet geven' = berispen; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VET bvw. – vet, fr. gras; het vet hebben - een goed leven hebben; van den grond, vruchtbaar"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal