elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vileinig

vileinig , vuiléndig , verlendig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Boos, kwaadaardig (verouderd). | Vuilendige ooge (W.F.O.N. 7, 14, 7). Mogelijk schuilt in het woord het Franse vilain = gemeen, laag, slecht, en is de Westfriese vorm ontstaan onder invloed van vuil = gemeen. (Vgl. een vuile streek). Vgl. Middelnederlands vileinich = gemeen, laaghartig. Vgl. Fries fûleindich = fel, hevig, krachtig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vileinig , foeleinig , foeleindig, feleinig, foelaorig, volaendig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. fel, verbeten, vinnig 2. nijdig, kwaad 3. bijdehand 4. (van personen) vol smerige streken 5. zeer, in hoge mate
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vileinig , flènneg , bijvoeglijk naamwoord , boosaardig, vinnig (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vileinig , flèèneg , flèènich , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , "nijdig, scherp - uit het Frans 'vilain' = lelijk, onfatsoenlijk, gemeen; Cees Robben – Öllieje Sjennie is ’n nèèch hundje... Dè-wel.. Hij is vernoemt flèènich.. (19600122); N. Daamen - handschrift 1916 - ""flainig - nijdig, scherp"""
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal