elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vinnig

vinnig , finnig , Hoe is ’t met den kranke? et is nog neet finnig, niet heel best. Ellypsis voor finnig good.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
vinnig , vinnig , snel, gaauw, vlug, rap. , Het is eenventje. Gij zijt - . Hij moest zooniet zijn.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
vinnig , vinnig , hevig.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
vinnig , feng , hard, scherp, vinnig. Gron. feng, fing = scherp, hel, vinnig, ’n feng licht = een hel licht; feng kold = vinnig koud; ’n feng gezicht in de kop hebben = vurige, doordringende oogen in ’t hoofd hebben. Oostfr. fenger = scherp, boos, levendig, vurig, snel, enz.; Neders. fengen, anfengen = aansteken, doen ontbranden. De stam er van zou zijn het AS. fon = vuur, waarvan ook: vonk, en fonkelen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vinnig , vinnȋg , finnȋg, finnig , 1 sterk, zeer, hard, driftig; finnȋg loopen, hoosten; finnȋg ofleggen = sterk afnemen; hij zag zijne goederen vinnȋg toenemen; vinnȋg opstappen; ’t klōnk nog al vinnȋg, nl. toen de rijksdaalders in de offerbus werden gestort. 2. met puisten en zweren bezet; Gron. vinnig, görtig (van varkens), Oostfr. finnȋg = vurigheid van de huid, met zweren bedekt; ook van varkens = garstig, ranzig; Westf. finnig, HD. finnig. Te Hamburg heet de ambtenaar, belast met het onderzoek naar de gezondheid der varkens: finnenkieker, Westf. finnekȋker. Vergel. het Nederl. bloedvin.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vinnig , vinnig , (bijvoeglijk naamwoord) , scherp; en vinnig antwoord; bw. vinnig kòld.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vinnig , vinnîg , eene varkensziekte, Cysticercus Cellulosae, welke de blaasworm van den lintworm doet ontstaan. Drentsch vinnig varken, een varken dat aan eene ziekte lijdt, die zich in blaasjes of zweren op de tong openbaart. Te Hamburg heet (1800) de ambtenaar, belast met het onderzoek naar de gezondheid der varkens: finnenkiker. Hoogduitsch, Westfaalsch finnig, van varkensvleesch gezegd. Kil. vinnigh vercken, porcus grandinosus. Vgl. bij v. Dale: gortig, garstigheid; die woorden zijn aldaar even onjuist verklaard als in ʼt Gr. Wbk.!
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vinnig , feng , fing , scherp, vinnig; ’t is feng kold = ’t is vinnig koud; ’n fenge lōcht = scherpe, fijne lucht, zoowel wat het licht als de lucht betreft; ’n feng licht = een hel licht, tegengestelde van: zacht licht; (fel licht = verblindend licht); ’n fenge slag = een slag die doordringt, bv. een zweepslag; ’n feng gezicht in de kop hebben = een helder, scherp, vurig oog hebben. Drentsch feng = hard, scherp, vinnig; Oostfriesch fenger = scherp, loos, levendig, vurig, snel, enz.; Nedersaksischfengen, anfengen = aansteken, doen ontbranden; Oud-Friesch (Wiarda) feng = een geweldige, een krachtige greep. – Volgens ten Doornk. behoort: feng-er, tot vangen, in den zin van: vatten, grijpen; fengen = vuur vatten. Het Oud-Noorsche fengi = voordeel, gewin; fengr = buit, en: fengr, in audhfengr en hardfengr, enz. wijzen ook daarop.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vinnig , vinnig* , Hoogduitsch finnig.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vinnig , vinnig , scherp. Nen vinnigen vuast: een harde vorst
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vinnig , vinnig , bijvoeglijk naamwoord , Ook: flink, met pit. | ’ Is ’n vinnig joô(n)je.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vinnig , vinnig , bijna.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
vinnig , vinnig , 1. snerpend. 2. bij de hand.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
vinnig , vinnig , 1. bijna; 2. vinnig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vinnig , feng , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidwest-Drenthe, noord, wm, dva:Noord-Drenthe) = scherp, fel, vinnig Een feng licht (wm), Feng kold vinnig koud (wm), ’n Feng gezicht in de kop hebben felle, doordringende ogen hebben (wm), (zelfst.) Een snoekebek is een feng(e) (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vinnig , vinnig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. vinnig Ze kan antmit zo vinnig veur de dag komen (Koe), Hij gaf een vinnig antwoord (Erf), Wat is dat een vinnig ding vinnig meisje (Een), Een vinnig persoon is ien, die van opschieten holdt (Emm) 2. driftig, met kleine pasjes (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) Muj hum ies vinnig zien lopen (Ker), Hij stapt er vinnig over (Row), Wat naait dai der nog vinnig over (Vtm) 3. gesteld op, verlekkerd op, fel op Hie is nogal vinnig op de centen, ...op dat wicht, ...op slaot (Sle), ...op snert (Wsv), Jopkie is vinnig op koopies (Eex), Het is mar een siep, mar vinnig op mollen (Eli) 4. erg (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Het is vinnig kaold (Sle), De tandarts dee mij vinnig zeer (Ruw) 5. van dieren met een bep. ziekte (wp, Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied), zoals: met puisten en zweren bezet (wp, wm) ‘Vinnig varken, dat aan eene ziekte lijdt, die zich in blaasjes of zweren op de tong openbaart’ (wp), Det vaarken is of ekeurd, umdet e zo vinnig was (Die), Die koe is vinnig heeft lintworm (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vinnig , vinnig , (Gunninks woordenlijst van 1908) zeer, in hoge mate
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vinnig , vinneg , ongeveer.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vinnig , vinnig , bijvoeglijk naamwoord , 1. vinnig: scherp, pittig, ook sterker: verbeten 2. belust, tuk op, bijv. Ze is vinnig op geld 3. hard en droog, fel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vinnig , vinnig , 1. boos, kwaad; 2. fel, aggressief; 3. kortaf, snibbig; 4. bijna; 5. bijdehand, verstandig, pittig; vinnig waarm, bloedheet.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
vinnig , vinneg , bijvoeglijk naamwoord , vlug van begrip (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vinnig , vinneg , bijvoeglijk naamwoord , "N. Daamen, Handschrift 1916 - ""hij is an de vinnige (aan den diarhee)""; WBD III.1.4:31 'vinnig' = vlug van begrip; WBD III.l.4:218 'vinnig' = onstuimig"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal