elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vleet

vleet , vleet , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Bij vissers. Kurk op de zegen. Synon. vloot. || We hewwe vleten voor de zegen nodig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vleet , vlete , zelfstandig naamwoord meervoud , van vleet, in de zegswijze hêle vlete, hele boel, bij de vleet. | De kerk had vroeger hêle vlete land. Zie het N.E.W. onder vleet 1.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vleet , vleet , de , 1. grote hoeveelheid (Zuidwest-Drenthe) Wij moet nog een hele vleet holt hakken (Wap), Der lig nog een hele vleet onder de boom van appels (Wsv) 2. in bij de vleet in overvloed Wij hebt appels bij de vleet (Bor), Der zaten brummels bij de vleet (Zwig), Hij hef geld bij de vleet (Wes), ...centen bij de vleet (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vleet , vleet , zelfstandig naamwoord , vleete , vleetjie , feeks, helleveeg
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vleet , vlêêt , zelfstandig naamwoord , vleet In de Binnenmaes wiere met de vlêêt braesems gevange In de Binnenmaas werden met de vleet brasems gevangen; bij de vlêêt volop
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vleet , [vrouw] , een lui vliëët , een lui vlëët , een luie vrouw
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
vleet , vleet , zelfstandig naamwoord , meid (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal