elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: voer

voer , foer , (onzijdig) , In ’t foer wêzen, in de kost leggen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
voer , vour , vourke , een voertje aan een paard, bv. een maaltje haver of een stuk brood.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
voer , vouwer , vouer, vour , voering. Zie ook: vour.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
voer , vour , vouêr , voeder; zit vour in = het beest is goed gevoederd, daaraan is niets gespaard, het zal blijken dat het dier zich goed ontwikkelt, of, van een paard, dat het krachtig is.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
voer , vour , vouêr , voer, wagenvol, en = voering. Oostfriesch fôr = wagenvol; voeder; voering. Zie ook: voarde, en: woagenvōl.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
voer , vur , (vrouwelijk) , voering. Vur vör ʼn ròk.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
voer , voer , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Voeder; zie de wdbb. – op voer zetten, flink eten. || Zet je maar goed op voer; je hebbe ’en lange reis – Vgl. kortvoer, langvoer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
voer , vur , (vrouwelijk) , Voering. Vur vö̂r ʼn rok.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
voer  , voor , (kort uitspreken) , voedsel voor het vee.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
voer , voor , onzijdig , voeder. Veevoor, peerdevoor.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
voer , voor , onzijdig , voors , vöörtien , voer; ’n voor hööi: een voer hooi. Twei voor hööi
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
voer , voor , zelfstandig naamwoord, onzijdig , voortjen , vuerkn , wagen vol
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
voer , voor , zelfstandig naamwoord, onzijdig , voer
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
voer , voejer , o , (varkens)voer
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
voer , vouer , 1. voeder 2. voer (bv. hooi op wagen) 3. voering
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
voer , voer , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: een wagenvracht. | ’n Voer hooi. Zegswijze goed voer en ’n warme stal hewwe, in elk opzicht een goede verzorging hebben. – Hai is z’n voer kwoit vóór ie an de zeunis is, hij komt (door eigen schuld of domheid) niet toe aan het profiteren van een voordeeltje. 2. hij is zeer verkwistend, heeft het geld dat voor andere zaken bestemd was al besteed. 3. hij heeft zijn boterhammen al op voor het schafttijd is. – Goed in ’t voer zitte, krachtig gevoed zijn. – ’t Voer loit in de breg, het ongeluk is geschied.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
voer , voer , zelfstandig naamwoord , wagenlading (hooi, tarwe etcetera) (KRS: Bunn; LPW: IJss, Bens, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
voer , voer , 1. vracht; 2. voer.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
voer , voor , voer, vaor, vouer , het , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook voer (Zuidoost-Drents veengebied), vaor (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), vouer (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = voer, wagenvracht Dat voor heui is niet te drukken (Pdh), Wij zult nog even dat voor zaod oplaoden (And), Wel wil dat vouer der even bijmennen? (Eev), Hier was eine, dei zette 40 vouer op een wagenrad (!) (Bov), (fig.) Hie hef het voor umgooid zij had een miskraam (Sle), Doe je kölperd dicht; der kan wal een voor zaod in tegen iemand met open mond (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voer , voor , voer, vouer, vaor , het , Ook voer (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), vouer (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), vaor (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = voer, dierenvoedsel Wij komt krap te zitten met het voor veur het vie (Emm), Het vaor veur de kalver worde an emengd (Mep), Neit te kört vouer geven voldoende voer geven (Pei), Gemengd vaor gemengd graan voor de kippen (Koe), ook Haard vouer (Eco), Hoeveul hej an het voor? hoeveel koeien heb je (Sle), Ik har de hazen op het voor ze zaten in de winter bij mijn kool (Sle), Hie hef ’t te goed, het voor stek hum hij wordt weelderig (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voer , voeier , voer.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
voer , voer , voer, eten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
voer , voer , wagenvracht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
voer , voer , vracht. Toe hew drie voer heuj binn ehaeld.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
voer , voejer , voeder , Ur is dees jaor veul voejer gewaase óp d’n ékker, we zulle in de wénter zat hébbe. Er is dit jaar veel voeder gegroeid op de akker, we zullen in de winter genoeg hebben.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
voer , voer , zelfstandig naamwoord , et 1. voer, voeder voor vee, huisdieren 2. wagenvracht 3. foudraal om een zeis, hetz. als voeg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voer , voer , zelfstandig naamwoord , voere , voertie , lading graan, hooi of stro op landbouwwagen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
voer , voejer , voer
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
voer , voejer , voer
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
voer , voer , (wagen)vracht hooi.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
voer , voeier , zelfstandig naamwoord , voeder (Helmond en Peelland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
voer , voor , (onzijdig) , voer , Voor gaeve ane verkes.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
voer , voejerke , zelfstandig naamwoord , maaltijd; De Wijs – (gehoord tegen iemand die te dik wordt) ge meugt gerust ’n voeierke afsteken (11-02-1965)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
voer , voejer , zelfstandig naamwoord , voer, voering; WBD: voer, voeder; In de betekenis 'voeder' ook vrouwelijk: Audioregistratie 1978 - Want vruuger din ze de koej nie in de waaj want dan liepe ze et ammel plat, dè bietje op stond. Dè voejer wèrd gemaajd èn op stal opgevoejerd.  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels); WBD voejerbak - varkenstrog, ook 'tròg' genoemd; WBD voejerkèùl - spoelkuil voor groenvoer (waarin men het spoelt of wast); Pierre van Beek - gez. – voejer zuuke vur aandermans geèt - werken voor een ander; WBD (II:676 en 719) voejer niet vermeld; voejer (II:899) - voering(stof); WBD (II:676) voeringlèèr of voejer (niet vermeld); DANB ik moet irst et voejer in de stal brènge; WBD 'voeringbójem' (II:1385) - voeringbodem; – korte oe; WBD III.4.1:44 kròpvoejer, voer - voedsel voor jonge vogels; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vujer, znw.o. 'voeier' - voeder, voering; Goem. VOEDER - vujer, znw.o. voor de dieren; VOEDERING - vujerink (voering); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOEIERING, VOIERING znw.v. - voering, fr. doublure; Hees voejer (VII:39); WNT VOEDER, VOER II) eten, spijs voor dieren; spijs voor menschen (niet gewoon en verouderd); VOEDER, VOEIER - l) voering; 2) binnenbekleeding; WBD III.4.1:43 'voeier' of 'voer' - voedsel (voor vogels), ook 'aas' genoemd
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
voer , vaor , voer
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal