elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: voetballen

voetballen , voeballe , werkwoord , in de combinatie te voeballen gaan, 1. gaan voetballen 2. gaan kijken naar een voetbalwedstrijd.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
voetballen , voetballen , zwak werkwoord, onovergankelijk , voetballen Hij kan bij het voetballen zo geweldig gemien speulen! (Eri), Hai voetbalt beter as zien bruier (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voetballen , voeballen , (werkwoord) , voeballen, evoebald , voetballen. Zie ook: metsen, nötten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
voetballen , foeballe , voebolle , voetballen , Gòdde mee ’n pùtje foeballe? Ga je mee een potje voetballen?
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
voetballen , foebele , werkwoord , voetballen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal