elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vooi

vooi , vooike , moederkonijn.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
vooi , vö̀ , (vrouwelijk) , voedster, wijfjes konijn of haas.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vooi , fooi , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie vooi.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vooi , vooi , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Soms ook fooi. Als benaming voor de uitstekende rand van verschillende zaken. – a) Omgang, trans van een toren. || Om de vooi van de toren is ’en balustrade. Insgelijcx sal de voornoemde Lambert Hendricksz. gehouden wesen de kerck besemschoon te houden ende alle jaeren van binnen eens te swarten en te witten tot de foy toe, Hs. ordonnantie voor den koster (a° 1660), archief van Assendelft. – b) De rand van een schoorsteenmantel. || Pas op, dat je je niet stote an de vooi. – c) De zware lat boven langs een weefgetouw, die van voren tussen de zijstukken verband brengt. – Het woord komt in deze en dergelijke betekenissen ook elders voor. In de Rekenboeken der St. Bavokerk te Haarlem vindt men het herhaaldelijk in de zin van bekroning, kroonlijst, van het ene of andere bouwstuk. || Die foey van die tralye, Bijdr. v. h. Bisdom Haarlem 4, 64 (a° 1513). Die foyen van die latrynen, ald., 4, 69 (a° 1535). Die foyen ende gesneen werck van die preeckstoel, ald. 4, 100 (a° 1538). – Vgl. verder HADR. JUNIUS. Nomencl. 156 b: “Acroteria, eminentia fastigii aedificiorum pinnacula et signa quae vel collumellae sunt, vel stylobatae, in quibus sigilla vel arulae, B(elgice) canteelen, foeyen”, en bij KIL.: “Voye, frise, bloem-werck, zophorus, pictus baltheus in quo metoga et figurae exsculpuntur; voye oft frise van de koetse, frons lecti, pars anterior superiorque fulcri: ora sive extremitas operis intestini; voye van de kercke, ambitus, circuitus templi superior; voyen, kanteelen, acroteria”. Ook in het Mnl. is het woord zeer gebruikelijk; zie Mnl. Wdb. 2, 831 op foye 2. – Tegenwoordig is vooi (vooie) nog gewoon in Zeeland in de zin van rand van de schoorsteenmantel (DE JAGER, Archief 2, 195; Taalk. Magaz. 5, 41 en 53; Sch. t. W. 1, 141), en in Vlaanderen voor klep van een pet, rand van een hoed enz. (DE BO2 1157 vlg.; SCHUERMANS 827).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vooi , fooj , zelfstandig naamwoord , vrouwelijk konijn.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
vooi , fóój , voedster , Ne ram én 'n fóój zén allebaoj kniin, saome maoke ze jóng knéntjes. Een rammelaar en een voedster zijn beide konijnen, samen maken ze jonge konijntjes.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vooi , vooi , zelfstandig naamwoord , vrouwelijk konijn (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vooi , fôoj , vooj , zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen: vrouwtjeskonijn; WBD III.4.2:63 'vooi' - wijfje van de haas, ook 'wèfke' genoemd; WBD III.2.l:510 'vooi'= vrouwelijk konijn: ook: moederbeest; vooj; WBD II.4.2:63 ‘vooi’ = wijfje van een haas
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal