elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: voorschoot

voorschoot , [schort] , vorsschoot , Voorschoot.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
voorschoot , vurschòòt , zelfstandig naamwoord , schort. De oervorm van de vurschòòt (voorschoot) was een lap met aan de bovenzijde een band. Met twee linten werd hij achter het middel om aan de voorkant vastgeknoopt. Bij het gewone werk was hij blauw. Bij ruw werk als varkens voeren droeg men als vurschòòt ’n jute zak die met touwtjes om het middel was vastgemaakt. Buitenshuis, bijvoorbeeld als men naar de markt ging, droeg men een vurschòòt van het meer geklede zwart-witte wafeltjesdoek. Met een zwart-zijden vurschòòt was een vrouw op haar sjiekst.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
voorschoot , veurschoot , veurschoet, veurschölk , de , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook veurschoet (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), veurschölk (Zuidwest-Drenthe, zuid) = voorschoot De smid har een leren veurschoet (Bal), Een vèurschölk bij het vaarkenvoren (Dwi), De schoenmaker drag een veurschölk (Hav), z. ook voorschoet
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voorschoot , veurschoot , zelfstandig naamwoord , de; voorschoot, met name van een schoenmaker en smid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voorschoot , veurschoot , schort van (een) jute (zak) gemaakt, dat gedragen werd wanneer er smerig werk gedaan moest worden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
voorschoot , vurschoot , zelfstandig naamwoord , schort (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
voorschoot , vurschot , zelfstandig naamwoord , "schort (zie ook 'toeschòrt); Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - schuddet mar in mene vurschoot; Van Beek - een ""vurschot"" (voorschoot) is een lage schort;  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958); Cees Robben - meej ene vurschót veur; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - winkeltje haawe ónder dere vurschót (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - steeds in verwachting zijn; WBD 'veurschot' (II:940) - voorschoot v.d. wever; ook 'sloof' of 'slufke'; WBD III.1.3:77 'voorschoot' = schort; ook: 'scholk', 'schort'; WBD III.1,3:86 'voorschoot' = schort zonder borststuk; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vurschót (krt. lO4); A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; znw.m. 'voorschoot'; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURSCHOOT znw.m. en niet o. - voorschoot, fr. tablier; fig. voorgevel; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - vurschòòt zn - schort"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal