elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: voortijd

voortijd , veurtied , vooraf; we muzzen veurtied al zoo lachen om, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
voortijd , vüürtied , vrouwelijk , voorjaar. In de vüürtied: in het voorjaar
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
voortijd , vóórtoid , zelfstandig naamwoord de , 1. Voorjaar. 2. Tijd voor de drukste werkzaamheden op het land weer beginnen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
voortijd , veurtied , vertied , bijwoord , Ook wel uitgesproken als vertied = 1. vóór die tijd, tevoren Veurtied kuw dat nog wel even doen (Zdw), Dan moej het veurtied even zeggen (Row), Dat haaj mij veurtied wel ies kunnen vertellen (Dwi) 2. vroeger (Zuidwest-Drenthe) Veurtied was alles rustiger (Wsv), Dat was veurtied wel aans (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voortijd , vèurtijd , voorjaar.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
voortijd , veurtied , veurtieds, veurdetied , bijwoord , voor die tijd, voorafgaand (aan dat tijdstip)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voortijd , vörtied , vurted , zelfstandig naamwoord , lente (Land van Cuijk); vurted; lente (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal