elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vreten

vreten , vrèten , (sterk werkwoord) , vreten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vreten , vreten , buitengewoon veel, onmatig eten, waarvan men dan ook zegt: ’t is gijn eten, moar ’t is vreten. Spelend zegt de moeder tegen haar klein kind: bist ’n vretzak = ’n vretop = ’n vrettert. Spreekwoord: Wor’n gijn vroaten geboren, moar moakt, (ook Limburgsch, Oostfriesch), zooveel als: het veel eten wordt eene (leelijke) gewoonte. (v. Dale: vreten = gulzig eten; vraat = veelvraat = gulzigaard.) – Ook de naam van een eenvoudig kaartspel. – Vervoeging: doe vretst, hij vret; ik vrat, doe vratst, hij vrat; wie, enz. vratten. deelwoord vreten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vreten , vroaten , zie vreten *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vreten , vrèten , ʼn Eigengereid stuk vrèten. Een eigenwijze.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
vreten  , vraete , vreten. Ein beroerd stök vraete, een misselijk persoon. Dao vrit gennen hônd broeëd van, hij wordt duchtig uitgekaffert. Hae vrit mit de kneen door de tralies, hij heeft hevigen honger. In de noeëd vrit den duuvel vleege, wanneer de nood aan den man is, eet men alles. De oere van de kop vraete, hij eet verbazend veel. Hae vrit as ennen huimeier, hij eet geweldig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vreten , vrätten , vrat, evrätten; ik vrätte, dů vretst, hei vret, wi, i, zei vrättet , vreten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vreten , vretn , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vrette, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , vreten. Vret(te) wolf, iem. die onbehoorlijk veel eet; de kùpkes van de goarvn vretn, het beste voor zich uitzoeken; iej vrett nog mear as Tjoonkbearndjen, jij eet bovenmatig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
vreten , vréête , vreten; Toen ha ’k ’t gevréête. Toen was ik de boosdoener.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vreten , frete , werkwoord , Vreten. De vervoeging luidt: frete – frat/fratte – freten. Zegswijze ze frete gras mit voif bekke, gezegd als het vee bij aanhoudend regenachtig weer op drassig (geworden) land graast, waardoor de dieren met hun poten (als het ware vier extra bekken) heel wat meer gras vertrappen dan ze met hun ene bek afgrazen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vreten , vreten , het , 1. voer, dierenvoedsel Het vreten veur de hounder stait achter op de dele (Bov), Doe most dai hokkeling nog even wat vreten geven (Vtm), Margkool is goud vreten veur de kuien (Pei), Nou hef e zien vreten zijn vet (Gro) 2. irritant persoon Dat is een verwaond stuk vreten (And), ...pot vrèten (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vreten , vreten , vretten, vrèten, vritten , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , Ook vretten (Pdh, Scho), vrèten (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), vritten (Midden-Drenthe) = vreten De moezen harren een heel stuk oet de keze vreten (Bei), Dat jong vret mij nog de oren van de kop (Coe), As een koe niet vret, wordt e hol in de milten (Exl), Dat oftaandse peerd mag genadebrood vretten (Scho), Zet het peerd maar èven an de leide, dan kan hie ok èven vrèten onder het schoft (Hol), Hij vret, hij kun wel een koemage hebben (Hgv), Hij vredde altied drop (Nsch) *Wat de iene niet mag, vret de aander zich dik in (Nam); Der is gien hond die het vrèten wil niemand lust het (Bro); Het is daor riek reken en arm vreten men rekent zich rijk en lijdt armoede (Geb); Wat een boer niet kent, vret hie niet (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vreten , vreten , vret, vrat, vraten, evreten , vreten. Döör vret gien ond zat an (gezegd tegen iemand die gierig is)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vreten , vrèètn , vreten.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vreten , frét , schrokken, eten, vreten , T’is nie fesoenlek és ge óp 'n fist zé én ge frét meej alles óp wat'ter óp tôffel sti. Het is niet netjes als je op 'n feest bent en je schrokt meteen alles op wat er op tafel staat.
Wa d’n boer nie kènt dé frèt’tie nie. Wat de boer niet kent dat eet hij niet. Onbekend maakt onbemind.
Voltooid deelwoord gefreete. Héij hi ónder d’n draod dur gefreete. Hij heeft onder de draad door gevreten. Hij is over de streep gegaan, hij heeft zich misdragen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vreten , vreten , werkwoord , 1. (van dieren) voedsel nuttigen 2. (meestal ruw) eten (door mensen) 3. slecht maaien, snijden, knippen enz. (zodanig dat er her en der plukken gras enz. blijven staan) 4. erg veel verbruiken, bijv. Dat vret stroom 5. knagen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vreten , vreten , zelfstandig naamwoord , et 1. voedsel voor dieren 2. (ruw) voedsel voor mensen; een min stok vreten een rotzak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vreten , freete , vreete , werkwoord , freet, frat, gefreete / vreet, vrat, gevreete , vreten Ook vreete
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vreten , vrèten , (werkwoord) , vret/vrèèt, vrat, evrèten< , vreten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vreten , freete , frit, frât, gefreete , vreten, onfatsoenlijk eten , Frit nie zó, it nètjes. Vreet niet zo, eet netjes.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vreten , freete , vreten, voer voor dieren , Higget vèèrke z’n freete gehad? Heeft het varken zijn vreten gehad?
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vreten , gefreete , in ’t gefreete hébbe doelwit van pesterij zijn , ’t Gefreete hebbe. Doelwit van pesterij zijn
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vreten , frééte , werkwoord , vreten (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vreten , [het vreten] , vraete , (onzijdig) , het vreten , Det is ei lómp stök vraete: dat is iemand die lomp en brutaal is.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vreten , vraete , ich vraet, doe vrits, hae vritj, zie vraete, vr , vreten , Die koe vraat einen ummer kroeate. Hae kreeg ze flink oetgebujeldj, dao vroot geinen hóndj broead haer. Ich höb ’t weer gevraete: ik heb weer de schuld gekregen. Waat eine boer neet kèntj, det vritj d’r neet.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vreten , frèèt , zelfstandig naamwoord, mannelijk, onzijdig , het (vr)eten, de kost; gez. òn de frèèt koome - aan de kost komen; WBD III.3.2:2 'freet' = voedsel; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  FREET zelfstandig naamwoord m. Wordt in de alg.taal gebruikt voor: eten, voedsel; dat is slechte frèèt; de daad van frèten: op de' frèèt loopen. FRÈÈT zelfstandig naamwoord o.- 't lèèfdig frèèt hebben - altijd kunnen eten. • iemand die veel of vaak eet; Cees Robben – Frèèt diege zeèd... (19730921); frèète; het eten - et frèète
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
vreten , vreete , freete , sterk werkwoord , vreete - vraat - gevreete , vreten; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vrit; R.J. 'ze vrèten de oren van oewe kop'; - Nao die veulgewenste Vrede,/ Lieve Vrede, mee in Dee. / Wens ik oe, nén overvloed van Vrete,/ Vet, veul, en lekker, mee in Tee (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); De Wijs – Hij hee hersens as ‘ne krentenbol en daor is dan nog van gevreete (16-01-1975); De Wijs – (’n Tilburger bestelde in ’n restaurant een kreeftencocktail, welke zéér matig voor de dag kwam. Z’n opmerking luidde: ) - Bij ons vreete ze kreeft, dè de pôotjes uit onzen bek hangen (17-10-1966); vreet - vreet; R.J. 'vrit aa'tij alles op’; – 2e & 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'vreete', met vocaalkrimping; vraat - vrat; verleden tijd van 'vreete’; freete; ook: frêete; vreten; WBD eten (van vee); B frèète - fraat - gefreete. - vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij frèt(frit?) M: vrit; Cees Robben – Mina.. as gij ’t werken het uitgevonden... Dan freet ik den bissem meej steel en al op... (19780203); Frans Verbunt: hèdde nie dan frètte nie; R Als 't eten smaakt: Dè smòkt nòr tròg; had ik meer, dan vraat ik nòg. gez. MP 'Ieder zene meug', zi den boer, 'èn hij fraat vèège.'; R.J. 'en ze fret nie en ze schet nie'; A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 – ;  de koeje (sic) frèète gèère 'lèènzaodkoeke'; Dirk Boutkan: (blz.38) frèète - (hij) frit (apart geval); Weijnen, Vergelijkende klankleer (96): onverklaarbaar 'frit'; Goem. VRETEN frète wkw.(rg.), in 't plat: eten; zuipen en - ; zie frèt; fraat; vrat; verleden tijd van vreten; 'frèète'; MP 'Ieder zene meug', zi den boer, èn hij fraat vèège.; frèt; tegenwoordige tijd enk. van 'frèète'; vreet; Cees Robben – [Dochter:] Ik wil hot-pens, pa... [vader:] Ge fret mar wetter is, Corneliaaa... (19710430); Cees Robben – Onze Jan is vegetarier geworre... Hij fret vort mee z’n knèèn uit de ruif... (1810717); Cees Robben – Ik heb ’n goei vrouw.. Ze lôôpt nie weg en ze fret de jong nie op. (19850521); Frans Verbunt: hèdde nie dan frètte nie; Frans Verbunt: frèt oewe kòp mar op, dan hèdde oew bakkes vol; buisem; WBD III.4.2:52 'fret' - fret (Mustela furo), ook genoemd 'buisem' (Korvel); WBD III.4.2:54 'fret' - marter (Martes foina), ook genoemd: 'fretje', 'buisem', 'eierwezel', 'fluwijn', 'steenmarter'; frit; tegenwoordige tijd van 'freete'; vreet; Dirk Boutkan: (blz.38) vrèète - (hij) frit; (bl.40) fritte (vreet je); Weijnen Vergelijkende klankleer (96): 'frit' onverklaarbaar
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
vreten , vraete , vraot – gevraete , vreten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal