elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vries

vries , vries , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Het vriezen, vorst. || “We hebben nou weer ’en lekker vorsie (vorstje)”. “Ja, ’t is weer ’en behoorlijke vries.”
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vries , vries , zelfstandig naamwoord , vorst (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal