elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vrouwlui

vrouwlui , vrouwlue , vrouwen. Zegsw. Jong vrouwlue en jong pèrd weet niet waor ze te laand kommen kunt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vrouwlui , vroulu , vraulu , zie: vrau, en v. Dale art. vrouwmensch, meervoud vrouwlieden, vrouwlui. Samenstellingen: vrouluklijêrn, vroulubanken, vroulustem, vrouluverziete, vroulugek, vrouluvlijs, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vrouwlui , vróllie , mv , (jong) vrouwvolk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vrouwlui , vrullie , vrouwlui (vrouwen). Vrullie (ook vroelie) zag je weinig in de vergaderingen.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
vrouwlui , vrollie , vrullie, frollie , zelfstandig naamwoord meervoud , Samentrekking van vrouw lie(den), vrouwlui (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vrouwlui , vrullie , zelfstandig naamwoord , ‘vrouwlieden’: vrouwen (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie ook *mallie .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
vrouwlui , vrolleu , vrolluu , vrouwen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
vrouwlui , vrolle , vrolleu, vrolluu , vrouwen; * vrolleu stank is manleu pannekoeke: vrouwen trekken mannen aan.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vrouwlui , vrouwlu , de , vrouwen De vrouwlu hebt mekaar almaol in de arm (Pdh), Op die bruloft waren alle vrouwlu in het lang (Bei), Hij is nogal drok op de vrouwlu zit achter de vrouwen aan (Eli) *Vrouwlu en moezen is een bedarf in de hoezen (Exl); Vrouwlu en moes / Hèurt in hoes / Kèrels en kat / Hèurt bij het pad (wk); Vrouwlu en jong pèerd weet niet, waor ze te laand kommen kunt (wm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vrouwlui , vrollie , meisjes.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
vrouwlui , vrouwluu , vrouwen, dames.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vrouwlui , vrouwluden , vrouwlu , zelfstandig naamwoord , mv.; vrouwspersonen, bijv. Hi’j het naor de verkeerde vrouwluden west naar de hoeren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vrouwlui , frullie , vrullie , zelfstandig naamwoord , vrouwvolk, vrouwen In d’n vorigen êêuw zeeje ze frullie en mallie In de vorige eeuw zei men vrouwvolk en manvolk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vrouwlui , vrôllie , (jonge) meisjes
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
vrouwlui , vrouwlu , (zelfstandig naamwoord) , vrouwen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vrouwlui , vrullie , vrouw , da waar ’n schôône vrullie vruger = dat was vroeger een mooie vrouw-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
vrouwlui , vrouwleu , frullie , vreulie , vrouwlu, vruilu, vruilie, vrul , vrouwen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
vrouwlui , vrállie , vròllie , zelfstandig naamwoord, meervoud , vrouwvolk (Eindhoven en Kempenland); vròllie; vrouwvolk (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vrouwlui , [vrouwen] , vrouluuj , vrouwen , Aan jóng vrouluuj en aoj hoezer is altijd werk: jonge vrouwen en oude huizen kosten altijd geld. Heuj dich vuuer Wessemer kuuj, Grathemer windj en Thoearder vrouluuj. Vrouluujshenj en paerstenj moge noeats stilstaon: men moet zorgen dat vrouwen en paarden altijd wat te doen hebben.: men moet zorgen dat vrouwen en paarden altijd wat te doen hebben.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vrouwlui , vröllie , zelfstandig naamwoord , jong meisje; eigenlijk verbastering van ‘vrouwlui’ of ‘vrouwlieden’, dus vrouwvolk, een vrouwmens; Cees Robben – Kekt toch ammol nie naor die vröllie... (19760702)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal