elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vuiligheid

vuiligheid , [wat vuil is; kwade opzet] , voeligheid , kwade moedwil. Uut voeligheid, gedaan met een boos opzet.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
vuiligheid , vuuligheid , m , rotzooi, smeerboel, troep.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vuiligheid , völlighèd , zelfstandig naamwoord , vuiligheid, onkruid. Ook: rauwighèd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
vuiligheid , voeligheid , vuligheid , de , Ook vuligheid (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. vuil, vuiligheid Ik heb wat voeligheid in het oog (Sle), Een oerkenbladtien op een zweertien leggen, dan trök de voeligheid er uut (Ruw), Ik zal je wal even een dumeling maken, veurdaj er voeligheid inkriegt (Hijk) 2. smerige streek Heb ie daor wèer voeligheid oethaald? (Hoh) 3. gemenigheid Door zit voelighaid achter (Vtm), Hie hef voeligheid an de broek is onbetrouwbaar (be:Zdw) 4. hypotheek, schuld (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Der lig nogal wat voeligheid op dat huus (Zdw), z. ook hieptiek, dak
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vuiligheid , vuulegheid , vuiligheid. De vuulegheid schient ’m de oogn uut.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vuiligheid , vûlleghéij , onkruid , Ge moet d’n hof 's gôn wieje, 'r sti veul vûlleghéij tusse de bónne én de érte. Je moet de tuin eens gaan wieden, er staat veel onkruid tussen de bonen en de erwten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vuiligheid , vullighied , zelfstandig naamwoord , de; smerige streek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vuiligheid , vùllighèijd , vuil, rommel, vuiligheid, kwaadsprekerij
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vuiligheid , völleghè , vuulegheid , zelfstandig naamwoord , onkruid (Eindhoven en Kempenland); vuulegheid; onkruid (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vuiligheid , völleghei , völleghèd , zelfstandig naamwoord , vuiligheid; Audio-opname 1978 – Dhr. Bertens – “Mèn dòchter die ha hier zogezeej zonne stinpöst staon………èn en uur nòdderaand koste zôo de slierte öt trèkke, de völleghèd dieter ötkwaam!” (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels; Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vuilighei' (bis); Enen enkeling van de jong naam de moeite, meej enen emmer waoter de völlighed weg te spuule, de miste lieten et mar zôo et waar. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); WBD (III.2.1:282) völleghèd = vuilnis, ook 'rotzooi' genoemd; WBD (III.3.3.356) völleghèd = onkuisheid; WBD (III.4.4:103) 'vuiligheid' = natte sneeuw; Stadsnieuws -  Daogs nò de kèrmes leeter aatij enen hoop völleghèd op straot (060507); A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. - vuiligheid: l) onkruid, neervallende nattigheid (regen, sneeuw, ijzel); 3) vrekkigheid; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VUILIGHEID ww. vuiligheid doen - aan eene natuurlijke behoefte voldoen; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - völlighèd zn - vuiligheid, onkruid
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal