elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: waai

waai , wai , oorveeg; ’n wai an, of: om de ooren. – ’n wai an hebben = dronken zijn. – ’n gouie wai (van eenigen drank) = aanzienlijke hoeveelheid; is nog ’n gouie wai in, nl. in de flesch. Vgl. bōm, en: anwaisel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
waai , waai , ring onder de schroefmoer, als aanvulsel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
waai , waai , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Wind. Van waaien. || Jonges, jonges, wat ’en waai vandaag!
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
waai , wai* , vergel.: anwaisel .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
waai , wèêj , v , klap, pats ’n wèêj kriége Een klap krijgen; klap ’n wèêj án d’óre Een klap tegen de oren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
waai , waai , waaichie , ring tussen moerschroef en het vast te zetten voorwerp
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
waai , waai , en wats.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
waai , wèèj , slag, oorvijg; ’n wèèj um de òrre “een klap om de oren”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
waai , waai , waaier , zelfstandig naamwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Cab, Pols), waaier (KRS: Coth) knieholte Zie Taalatlas. afl. 4, nr. 4: knieholte . In de Vechtstreek betekent waai ‘kuit’ (Van Veen 1989, p. 140). Waai is ontstaan uit wade ; voor de intervocalische ontwikkeling van d tot j ; zie hoofdstuk 2, punt B.6.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
waai , waai , waajem , de , Ook waajem (Zuidwest-Drenthe, noord in bet. 1.) = 1. klap Aj mij an de hoed duurt te kommen, kriej een waai an de oren (Eex) 2. grote hoeveelheid (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) As hij van markt kwam, had hie aaid een mooie waai op was hij dronken (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
waai , waai , 1. kolk of plas door dijkdoorbraak ontstaan; 2. kuil door zandafgraving ontstaan; 3. knieholte (W.-Veluwe); 4. wind (Hattem).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
waai , waaie , wèèj , zelfstandig naamwoord, meervoud , kuiten (Land van Cuijk); wèèj; klap (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal