elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: waarheid

waarheid , [juistheid, gerechtelijke informatie] , waarheyt , voor hetgeen men thans zoude noemen regterlijke informatie, komt voor in zekeren brief van Jan van den Houte, gegeven aan die van Etten en de palen van de Hoeve, in ’t jaar 1375, bij mij in handschrift berustende, alsmede in eenen brief van Johan Hertogh van Lotteringen, Brabant en Limborge, des jaars 1331, alwaar gesproken wordt van op iemand waarheid te vertuyge met twee wettige knapen. Waarheid is in deze beteekenis nog overgebleven in stille waarheid.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
waarheid , waarheid , de waarheid , de bijbel.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
waarheid , waorheid , (vrouwelijk) , waarheid; de waorheid z(i)een, sterven.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
waarheid , woarhaid , (= waarheid), in: dat duur, of: ken ’k in woarhaid nijt zeggen = dat weet ik niet, daaromtrent kan ik u niet inlichten; ook: voor de waarheid er van durf ik niet instaan; ik ken joe mit ’n woord van woarhaid betugen, dat, enz. = ik geef ik u de verzekering, dat, enz.; hij ’s voak wat ongelukkîg in ’t woarhaid zeggen, verzachtende uitdrukking voor: hij liegt vaak.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
waarheid , waorheid , in ‘een woord van waarheid‘, een plechtige verzekering, bevestiging. Zeget) ʼes met ʼen woord van waorheid, of enz. ik zeg ʼet je met ʼn woord van waorheid, ik verzeker het je plechtig, heilig. (Een woord van waarheid, eigenlijk: een eed? een eedsformule? dus: doe er eens een eed op?).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
waarheid  , waorheid , waarheid.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
waarheid , waorhäid , [wōrhæĭt] , vrouwelijk , waarheid
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
waarheid , waorheid , v , waarheid ’n waorheid as ’n koei Een waarheid als een koe (zekere waarheid).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
waarheid , wòrhitj , overeenstemming van woorden met feiten.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
waarheid , waorheid , de , 1. waarheid Het is de zuvere waorheid, wa’k je vertelle (Bei), Ik zal je wel evenpies de woorheid vertellen zeggen, waar het op staat (And), Zij liegt niet, maar zij koomt mit de waorheid te körte (Hol), Dat is een waorheid as een koe (Sle), De waorheid mag zegd worden (Gro) 2. de bijbel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën, dva) Dit stiet in de waorheid (Eli), Ik las het in de waorheid (Pes), Ik zel de waorhaid der op naoslaogen (Eco) 3. (glasbl., db:NBui), in Gladde waorhaid soort platte fles
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
waarheid , wòrheid , waort , waarheid. ge moet alt de wòrheid spreken, je moet altijd de waarheid zeggen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
waarheid , wööreid , waoreid , (Kampen) 1. waarheid; 2. zuivere kerkleer. Die dominee verkondigt nog de òlde wööreid. Ook: waoreid (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
waarheid , waorheid , waarheid.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
waarheid , wôrhéij , waarheid , Meej leuges aachter de wôrhéij zien te komme. Met leugens achter de waarheid proberen te komen. Op een slinkse manier achter de waarheid proberen te komen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
waarheid , waorhied , zelfstandig naamwoord , de 1. het waar zijn, de overeenstemming met zoals het echt, werkelijk is 2. iets dat waar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
waarheid , waerhaaid , zelfstandig naamwoord , waerheeje , haaidjie , [Obl] waarheid Ik glôôf nooit dattie de waerhaaid zee
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
waarheid , wôrrent , worhèìjd , waarheid
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
waarheid , wööreid , (zelfstandig naamwoord) , waarheid.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
waarheid , word , worrent , waarheid , De word mag gezeed worre. De waarheid mag gezegd worden.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
waarheid , waorend , worrend , zelfstandig naamwoord , waarheid (Den Bosch en Meierij); worrend; waarheid (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
waarheid , waorheid , (vrouwelijk) , waarheid , Kinjer en zate minse zègke de waorheid.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
waarheid , wòrred , wòrrend, waorend , zelfstandig naamwoord , waarheid; Henk van Rijen - 'wòrret, wòrrent, wòrhèt, wòrhèj’; CM wòrrend; Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - waorhei; Ak oe naa de volle “worrent” mot zegge... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); worrend is 'n gevaorlijk iets!  (...); want de worrend maokt iedereen kwaod! (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘De Worrend’, 1941); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - wie de wòrrend sprikt, moet et hèùs èùt ('50), resp. ..., moetderèùt. - Men dient de mensen naar de mond te praten; Verh. - WARENT (worrunt) v - waarheid (zie blz. 42); Van Dale - WARENTIG bw + tw Verzw. voor waarachtig. A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - worrend - waarheid (Meierij); Haor WORRENT - waarheid; Cees Robben – De waorend mot gezeej...  (19611020)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
waarheid , waorheid , waarheid
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal