elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: weduwe

weduwe , weeuw , weuw , weduwe.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
weduwe , wéduwe , wéduw, weêuw , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ’n levende weduwe, vrouw wier man gedurende kortere of langere tijd afwezig is. Verouderde vorm weêuw.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
weduwe , weuw , zelfstandig naamwoord , weduwe. Zie ook: hègweuw.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
weduwe , weduwe , weême , de , weduwen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid) = weduwe Zij is al jong weduwe worden (Bal), z. ook wedevrouw; weême (wp) = weduwe
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
weduwe , weùw , weduwe.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
weduwe , wedewe , zie wedevrouwe
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
weduwe , wuw , weduwe , Un wuw zal't nog dikzat moejlek hébbe, niemes kan dé hillemôl óplosse. Een weduwe zal het nog dikwijls moeilijk hebben, niemand kan dat geheel oplossen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
weduwe , wöw , widdevrouw , weduwe
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
weduwe , weew , platte, grove naam voor een weduwe , hij hou w’t meej ’n weew = hij heeft een relatie met een weduwe-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
weduwe , wiw , wuw,wuws , wiws , weduwe , Ik goj no de Weduwe Ciska. Ik ga naar de wc. Schertsend gezegde.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
weduwe , weef , wee, weuw, wew, wuw , zelfstandig naamwoord , weduwe (West-Brabant); wees; meervoud; vrouwen (Helmond en Peelland); weuw; weduwe (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant); wew; weduwe (Land van Cuijk); wuw; weduwe (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
weduwe , weuw , wuw , zelfstandig naamwoord , weuwke, wuwke , "BM weduwe; Van Delft - ""Ik werk veur de Wuw"", waarmede een firmanaam aangeduid wordt, die begint met ""Weduwe N.N."". Zulke kennen de Tilburgers natuurlijk nu direct meerdere. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929); Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - weuwke; weuw; Taante Lies waar 'n weuwke en ze ha goeie klandizie as weuw zijnde; ze ha 'n net kruidenierswinkeltje... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’De nuuwe dokter’; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 – 17-2-1940); En vrouw Cornelissen uit den Gouwen Os, 'n weuw, die ok mar wir gaaw moes trouwe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939); Zoo hadde vruuger jaoren in weuwke en die hiette Mieke. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Frans Verbunt (1996) - en weuw is en pèrd zonder voerman; WBD III.2.2:55 'weeuw', 'weduwe' = weduwe; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; znw.vr. 'weuw', - weeuw, weduwe. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - weuw zn - weduwe; WNT WEDUWE, weduw, wedewe, weeuw(e), weve, weef, wee; M, B weuw; Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - weuwke Paaj = weduwe Paaijmans (blz.59) WBD III.2.2:55 'weeuw' = weduwe"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal