elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: weduwman

weduwman , weduwman , voor weduwnaar. In de praattaal zegt men meestal weeuwer.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
weduwman , weedman , weduwnaar; Dr. Landr. (1608) III, 4: wednaer. Gron. wedeman = man, die zijne vrouw door den dood heeft verloren; ’t is ’n wedeman; hij’s weedner = hij is reeds getrouwd geweest; NBrab. weduwman, Kil. weduwer, Oostfr. wädeman, wädner, Neders. wedeman, Oudfr. wideman, HD. Witwer, Westf. widdemann.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
weduwman , wedeman , (mannelijk) , weduwnaar.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
weduwman , wédeman , (mannelijk) , weduwnaar.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
weduwman , wedeman , weduwnaar; ’t is’n wedeman doar zij mit trouen zel = die man is reeds getrouwd geweest; hij ’s weedner = hij heeft zijne vrouw door den dood verloren, hij heeft geene vrouw meer; onbesturven wedeman noemt zich schertsend een’ man als zijne vrouw eenigen tijd afwezig is, en zooveel als: weduwnaar, maar niet door versterf (zijner vrouw). Hetzelfde wordt ook door of van eene vrouw gezegd. Noord-Brabantsch weduwman, Drentsch weedner; Dr. Landr. (1608) III, 4: wedenaer; Kil. weduwer, weduwenaer; Oostfriesch wédener, wädener, wä̂dner, Nedersaksisch wedeman, Oud-Friesch wideman, Westfaalsch widdemann. – Oostfriesch unbestürfen wädeman = tijdelijk en vrijwillig, ook: gerechtelijk van zijne vrouw gescheiden man; unbestürfen kinder = kinderen wier ouders nog leven, al zijn ze ook door dezen verlaten. – Ook voor: kooltje vuur dat rookt; de maid het mie ’n wedeman geven; ’k heb’n wedeman kregen. Vgl. v. Dale art. onbestorven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
weduwman , wedeman , “onbestorven weduwnaar” ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
weduwman , weedĕman , weduwnaar.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
weduwman , weddemån , mannelijk , weduwnaar
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
weduwman , wéddeman , m , weduwnaar.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
weduwman , wedeman , weduwnaar
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
weduwman , wétman , weduwnaar.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
weduwman , wedeman , weduwnaar.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
weduwman , wedeman , weedman , de , Ook weedman (wm, ti) = weduwnaar Zij hef weer een anzuuk ekregen van een wedeman uut Dwingel (Die), Hij is onbestörven wedeman gezegd van een echtgenoot die tijdelijk alleen is (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
weduwman , wedeman , (Gunninks woordenlijst van 1908) weduwnaar
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
weduwman , wedeman , weduwnaar.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
weduwman , wedeman , zelfstandig naamwoord , de; weduwnaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
weduwman , weduwman , (zelfstandig naamwoord) , weduwnaar. Zie ook: weduwnaer.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
weduwman , weduman , weduwman, weduwvrouwe, weduvrouwe, weduwvrouw, wed , weduwnaar, weduwe.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
weduwman , weddeman , weedeman, widdeman , zelfstandig naamwoord , weduwnaar (Land van Cuijk); weedeman; weduwnaar (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant); widdeman; weduwnaar (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
weduwman , [weduwnaar] , widman , (mannelijk) , weduwnaar
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
weduwman , weedeman , weeduuwman , zelfstandig naamwoord , weduwnaar; Interview met de heer De Kok (1978) –  In mèn jeugd? Jè, veul gezoope! Ik zèè drie keer weeduuwman gewist, dan kundet wèl begrèèpen, hè!?; WBD III.2.2:55 'weduwman' = weduwnaar; ook 'weeuwenaar'; J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WEDUWMAN, voor weduwenaar; het is elders minder gemeen dan weduwvrouw. Men vindt bij de ouden ook 'wifman', wijfman. WNT WEDUWMAN, weduweman, wedeman, weedman, enz.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
weduwman , widman , weduwnaar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal