elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: weduwnaar

weduwnaar , weeuwer , weuwer , weduwenaar.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
weduwnaar , [vonk aan de kaarsvlam] , weeuwer , sprank aan de kaars, ook een rookend kooltje in de stoof.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
weduwnaar , weedner , zie: wedeman.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
weduwnaar , weeuwenaar , weenaar, weduwnaar , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Weduwnaar. Zie de wdbb. – Een weeuwenaartje ook als benaming voor een stiemende (rokende) kool vuur in een test. || We zellen dat weeuwenaartje maar buiten de deur zetten. O foei, wat ’en weeuwenaar! – De uitdr. is ontleend aan het zeggen, dat als een meisje een rokend kooltje in haar stoof krijgt, ze met een weduwnaar zal trouwen. Hetzelfde gelooft men in Friesland (DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 2, 241). – In het Stad-Fri. zegt men wedenaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
weduwnaar , wédenaar , zelfstandig naamwoord de , Weduwnaar. Zegswijze ’n levende wedenaar, man wiens vrouw gedurende kortere of langere tijd afwezig is.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
weduwnaar , weênaar , zelfstandig naamwoord de , Verouderd voor weduwnaar.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
weduwnaar , weùwer , weduwnaar.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
weduwnaar , wuwwenàèr , weduwnaar , Wuwwenàèr daor kies'de nie vur, mér't kan'new wél ooverkomme in't lèève. Weduwnaar daar kies je niet voor, maar het kan je wel overkomen in het leven.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
weduwnaar , wedener , zelfstandig naamwoord , de; weduwnaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
weduwnaar , weedunaer , weduwnaer, wêêuwenaer , zelfstandig naamwoord , weedunaere, wêêuwenaers , weedunaertie, wêêuwenaertie , weduwnaar; wêêuwenaer [veroud] weduwnaar; Een onbesturreve weduwnaer 1. Iemand die weinig interesse in vrouwen heeft 2. Man wiens vrouw tijdelijk elders verblijft
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
weduwnaar , wöwer , widdeman , weduwnaar
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
weduwnaar , weduwnaer , zie: weduwman.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
weduwnaar , wuwwer , weduwnaar
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
weduwnaar , weevenèèr , weuwer, wuwwer , zelfstandig naamwoord , weduwnaar (West-Brabant); weuwer; weduwnaar (Den Bosch en Meierij); wuwwer; weduwnaar (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal