elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: welja

welja , beja , belja , voor: zeker; beja wal! = zeker, voor zeker wel! ja, als sterke bevestiging, of volledige toestemming, zal staan voor: wel ja.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
welja , wei jà , door het uitvallen der l voor: wel ja.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
welja , welja , (uitgesproken weljah), zie: ja .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
welja , bé-jao , welja, zeker wel.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
welja , beljaat , belja , Makker effe inkomme? Beljaat mens.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
welja , wejaat , weljaat, wè-ja , variant voor welja.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
welja , welja , tussenwerpsel , welja Welja, daor gaowe weer! Altied hetzölde leidtien (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
welja , beja , belja , (Zuidwest-Drenthe, veroud.), Ook belja = welja, zeker Beja jong, dat doe’k wel even veur oe (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
welja , bè’jôt , wel ja , Bè'jôt, dé kan'ner nog wél bè, we zén nouw toch ôn de gang, 't gi in iin moete dur. Jawel, dat kan er nog wel bij, we zijn nu toch bezig, het gaat in een moeite door.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
welja , belja , bijwoord , wel ja
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
welja , beljaot , tussenwerpsel , wel ja Beljaot meñs, je doe maor wajje nie laete ken Wel ja vrouw, je doet maar wat je niet laten kan Beljaot maaid!
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
welja , waajot , wel ja , vinde gij d’ak da mot doen? waajot, doe da toch, da’s leutig = vind jij dat ik dat moet doen? wel ja, doe maar, dat is leuk-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
welja , bèij jâ , welja. Verzuchting van ongeloof en berusting. , Bèij ja, dè kan ’r ók nog wùl bèij. Welja, dat kan er ook nog wel bij.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
welja , weljattik , wejattik , welja
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
welja , bèjaa , bèèjot, bèlja , tussenwerpsel , wel ja (Helmond en Peelland); bèèjot; wel ja! (West-Brabant); bèlja; wel ja! (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
welja , beljât , welja
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
welja , bèljaa , tussenwerpsel , welja; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BELJA bijwoord. uitdrukking - , in allerlei varianten uitgesproken: bejjah, beljat, bajjahs wel ja! Niet altijd gebruikt om ondubbelzinnig te bevestigen. WNT WEL-JA bijw. en tusschenw., ook verbasterd tot we'ja en be(l)ja, be(l)jaat (uit: wel ja 't).
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal