elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: welput

welput , welput , de , put op een wel De welput was vroeger van törf of bakstienen opzet. Later van gewone stienen (Emm), Bolster veur het maken van welputten (Stu), Zij hebt daor een pompe op een welputte (Ker), In oes welput zit 16 meterse ringen in (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
welput , welputte , zelfstandig naamwoord , de; welput
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
welput , welpit , zelfstandig naamwoord , welpitte , welpitjie , bronput, regenput Bij ôôñs perbeerde ze jonge katte te verzuipe in de welpit Bij ons probeerden ze jonge katten te verdrinken in de regenput
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
welput , welput , zelfstandig naamwoord , waterput (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal