elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wenden

wenden , wenden , wènen , (werkwoord) , omwenden, omkeeren. , Ga ’t hooi - . Het hooi moet tweemaal gewènd zijn.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
wenden , wenden , (Ommelanden) = keeren, omkeeren van hooigras als het in rijen ligt; ook Oostfriesch Spreekwoord: Rug wend, koop schend (den rug gewend, de koop geschonden), dat is: gaat gij heen dan zijn beide, kooper en verkooper, geheel vrij. Eigenlijk zooveel als: die weggaat doet het bod te niet, als nl. de verkooper den toeslag niet gegeven heeft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wenden , wenden , (zwak werkwoord, transitief) , Zie de wdbb. – Daarnaast soms nog wennen. || Wen ’et roer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wenden , weanden , zwak werkwoord , wenden, keren. Hööi weanden.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wenden , weann , werkwoord, zwak , 1 wenden, 2 diep omploegen of spitten. Iej hebt t gat nog neet eweand, je hebt je hielen nog niet gelicht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
wenden , wenden , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. wenden, keren Het is zo vol, ie kunt oe niet wenden of keren (Wsv), Met vraogen kist die tot hom wenden (Erf) 2. omkeren van hooi (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Wij moet het heui nog even wenden, het is nog niet dreug (Sle), Ruterheui gef minder verlies dan heui det een paar keer ewend is (Ruw) 3. (hy), in Die akker wendt aordig van een schuin toelopende akker
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wenden , wéingen , ook wéngen, wenden, schudden, keren. hoi wèingen, hooi schudden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
wenden , wennen , 1. wenden; 2. hooi omkeren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wenden , wenn , wenden, spitten zonder voor. Hie was de hof an ’t wenn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wenden , wenne , werkwoord , wen, wende, gewend , wenden of keren van bijv. hooi
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
wenden , wèène , wenden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
wenden , wijnden , 1. binnenstebuiten keren van kleren; 2. draaien; 3. keren bij het ploegen; wijnakker, kopakker, vooreind, daar waar de ploeg keert.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
wenden , wèène , werkwoord , omkeren (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal