elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wicht

wicht , wicht , kind van het vrouwelijk geslacht of een ongehuwd meisje tot omstreeks 18 jaren. , Dat wicht is te jong voor dat werk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
wicht , wichtjen , kindje. wichter kinderen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
wicht , wicht , wichter, wichtien , meisje; meerv. wichter, dat ook voor knapen en meisjes geldt; diminut. wichtien. Ook voor: dochters; oez wichter. In Gron. wicht = meisje, ter onderscheiding van jongen; ook = meisje, in ’t algemeen, en = vrijster, ook Dr. en Oostfr.; diminut. wichtje, Stad-Gron. wichien. Oostfr. wicht, Westf. wecht, wicht = meisje; Kil. wicht = kind, knaap, jongen; Teuth. wycht = kynt; Oudfr. wicht = een klein meisje; Nederl. wicht = klein kind, zuigeling. Het woord beteekent eigenlijk: een bestaand iets, een schepsel; HD. Wicht (veroud.): een voorwerp, eene zelfstandigheid; thans = een schepsel, inzonderheid een mensch, maar in minachtende beteek.; Ouds. wiht, OHD. wihti, wiht; MHD. wiht, wicht = schepsel, wezen, ding, zelfstandigheid, inz. een menschelijk of dierlijk goed of slecht wezen; AS. viht, vyht, vuht, OEng. wiht, wigt, wight, Eng. wight = wezen, demonisch wezen, dier, ding, enz.; AS ook = man; Goth. vaiht = iets, ding, zaak; ONoorsch vettr, vaetr, Noorw. vet = wezen, ding, gering iets; MNederd. wicht, wucht, Nederd. wicht = wezen, ding, klein wezen, kind, enz. Met wicht, in: gewicht, van het OHD. wëgan, Goth. vigan = bewegen, en alzoo oorspronkelijk: een zich bewegend iets.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
wicht , wicht , (onzijdig) , wichter , kind
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wicht , wigje , gewicht van 50 KG., bij de visschers. “Er zijn er toch die 8 tot 10 wigjes schol gevangen hebben. – Te Enkhuizen nu is hun de schol betaald met 32 tot 39 gulden het wigje.ˮ (Zoutkamp 1874). (Wellicht van de Hollanders overgenomen, die echter: wichtje, schrijven.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wicht , wicht , meisje, ter onderscheiding van: jōng (jongen). Ook = vrijster, (ook Drentsch, Oostfriesch); dei jōngse hebben wichter (Oldampt) = die jonkmans hebben elk een meisje; jōng en wicht = jongen en meisje, en = vrijer en vrijster; olle wicht, zeer vertrouwelijk, bij ʼt aanspreken, (evenals: olle jōng = vriend, vriendlief, enz.); olle wichter = oude meisjes, en ook voor: getrouwde vrouwen of weduwen, al zijn zij ook op middelbaren leeftijd; mien wicht, zeggen de mannen tegen hunne vrouwen; ons wicht = onze dochter, ook = onze dienstmaagd. Verkleinwoord: wichtje, Stad-Groningsch wichien, Hoogezand enz. wichie. Kil. wicht = kind; knaap, jongen; Teuthonista wycht = kynt; Overijselsch wicht, ook = jongen; Geldersch wichter = jongens en meisjes; Oud-Friesch wicht = een klein meisje; Nederlandsch wicht = kind, (oudtijds = wezen, waarvan: booswicht, hellewicht); Osnabrück wichter = meisjes. Eenigszins spottend zegt men: ʼn wicht as ʼn blad (een flinke meid), brijd van schōlders en smal van gad. – Voor: gewicht, zie: licht-wicht. Vgl. stiften, en: moagdje, alsook: jōng 2.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wicht , wicht , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zwak wezen, klein kind, meisje, onzijdig Zie de wdbb. en vgl. een zegsw. op bang.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wicht , wicht* , ʼt Nederlandsche woord “wicht” beteekent oorspronkelijk “wezen”: vandaar bvb. “booswicht.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wicht  , wich , klein kindje.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
wicht , wicht , onzijdig , wichter , wichtien , kind (zowel mannelijk als vrouwelijk).
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wicht , wich , zelfstandig naamwoord, onzijdig , wichtr , wichjen , kind. Wichtr groot, òoln weat mer dood, grote kinderen geven soms zoveel zorg en verdriet, dat de ouders het beter niet hadden kunnen beleven
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
wicht , weecht , kind; meervoud wichter.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
wicht , wichter , kinderen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
wicht , wichter , kinderen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
wicht , wechte , de , wechten , (Zuidoost-Drents veengebied) = bascule Zet het man op de wechte um het te wegen (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wicht , wicht , de , wichter, wichters , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = kleine wilde pruim Wichterties bint zute, blauwe proemen (Zdw), Wichters bint kleine, blauwe proemen, as een dikke knikker (Bro), Wichies of effies (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wicht , wicht , het , wichter , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. meisje Ze hadden al drei jonges en noe hebt ze een wicht (Bov), Het is een lomperd tegenover de wichter (Eex), Dat wicht moet een zwaorder bit anhebben moet ingetoomd worden (Ros), Het wichie gaait aal naor schoul (Row) 2. vriendin, verloofde Hij zit in de pinarie, zien wicht zit bie het jong ze is zwanger (Bco), Jan is hen het wicht (Hijk), Hij het al een schoffie met dat wicht lopen heeft er er al een tijdje verkering mee (Een), Jan het ain hartstikke laif wichie an touw. Hai is mit Wiekster Maark bie dat wicht kommen (Vtm), ook tegen een vrouw Och wicht, dat moej zo niet doen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wicht , wichien , meisje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wicht , wicht , (Gunninks woordenlijst van 1908) kind
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wicht , wichter , kinderen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wicht , wiecht , meisje , T’is nog mér 'n wiecht, ze is wél gróót mér nog veul te jónk vur dé wéérk. Het is nog maar een meisje, ze is wel groot maar nog veel te jong voor dat werk.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
wicht , wicht , zelfstandig naamwoord , et 1. het juiste gewicht 2. zie gewicht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wicht , wicht , zie: meisien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
wicht , wicht , 1. meisje; 2. kleine koe.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
wicht , wicht , zelfstandig naamwoord , meisje (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
wicht , wèch , wècht , (onzijdig) , wichter , wèchtje , kind, wicht
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wicht , wichje , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , WBD III.4.4:294 'wichtje' = gram, ook 'gewichtje'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
wicht , wicht , wigt , zelfstandig naamwoord , WBD III.4.4:295 'wicht’ = honderd pond, ook 'zak'; wigt; WBD III.2.3:145 'wigt boter' = klomp boter; ook: 'weg boter’. Zie WNT lemma Wicht II.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal