elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wiek

wiek , wiek , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Alleen in de zin van molenwiek is de vorm wiek gebruikelijk; de dialectische vorm is wuuk (zie aldaar).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wiek , wuuk , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , De gewestelijke vorm van wiek (vgl. aldaar); alleen gebruikelijk in de volgende toepassingen. – 1) Pluksel; dotje van uitgeplozen wol enz. || Leg er ’en wukie op. Steek maar ’en wuuk (een watje) in je oor. Vgl. wukig. 2) Vleugel, vlerk. || Toen hij (Cupido) ons zag, schudde hij zen wuukjes uit. Uit een bruiloftsagrement (midden 19de e.). – Vgl. wuken. 3) Vleugel, omhoog geslagen driehoekige punt van een vrouwenmuts (Westzaan); zie snor I, 3.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wiek , weekske , een soort pluksel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
wiek , wuuk , zelfstandig naamwoord de , Wiek, vleugel, in de zegswijze ientje in z’n wuuk skoppe, iemand uit het veld slaan. Vgl. Fries wjuk. Meervoud wuke, 1. Wieken. 2. Vleugels. 3. Uitslaande zijkanten van een hul (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wiek , wiek , katoenen lampepit in een petroleumlamp.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
wiek , wiek , de , wieken , 1. molenwiek Ein wieke van de meulen is kapot (Erf), De wieken staot stil (Man) 2. vogelwiek Toen Willem deur het veld leup, kwamp er een klocht petriezen op de wieken (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wiek , wieke , zelfstandig naamwoord , wiek van een molen of vogel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wiek , wiekke , wiek van de molen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wiek , wieke , zelfstandig naamwoord , de; molenwiek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wiek , wieke , (met korte ie) , (zelfstandig naamwoord) , wiek (van een molen).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
wiek , wiêjk , grote diepe snee, winkelhaak in een stof
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
wiek , wiejk , zelfstandig naamwoord , diepe snee (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
wiek , [lampenpit ] , week , (vrouwelijk) , weke , weekske , katoenen kaarsenpit, lampenpit voor olielamp
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wiek , [(molen)wiek] , wiek , (wie\k) , (vrouwelijk) , wieke , wiekske , (molen)wiek
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal