elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wieken

wieken , wuken , (zwak werkwoord, intransitief) , Vliegen, met de vleugels slaan. || Van een aangeschoten vogel zegt men: Hij wuukte nag ’en beetje verder. – Wuken is de gewestelijke vorm van wieken; zie wuuk. – Vgl. de samenst. dakkelwuken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wieken , wuke , werkwoord , Wieken, vliegen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wieken , wiêjke , wiekt, gewiekt , krijsen, gillen , Hèij wiekt ás ’n vèèrke dè geslacht wordt. Hij krijst als een varken dat geslacht wordt.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
wieken , wiejke , werkwoord , gillen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal