elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wietelen

wietelen , wietelen , (werkwoord) , inhalig of onbehoorlijk spelen, bijv. bij beugelen, biljarten enz. Zie Ongerens.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
wietelen , wietele , werkwoord , wankelen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
wietelen , wietele , zwak werkwoord , wietele = wiebelen, onrustig zijn; ...zoo'n ijzeren ledikantje, eenpersoons, waor de heel de naacht in ligt te wietele... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun op collecte’; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 –26-8-1939)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal