elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wingerd

wingerd , wingerd , de , wingerds , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = klimplant, heggerank, Bryonia dioica Wilde wingerd zit wel in een olde sloot (Dwi), Die wingerd döt het daor mooi an de muur (Sti), De wilde wingerd hef van die mooie rooie vruchten, mor die bint slim giftig (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wingerd , wijgert , vijger , wingerd, wijnstok.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
wingerd , wijgerd , wéégerd , zelfstandig naamwoord , wijnrank (West-Brabant); wéégerd; wijnstok (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal