elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: winter

winter , winter , (mannelijk) , winters , winter.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
winter , winter , onzijdig; in dat winter = in dien winter; van ’t winter, waarvoor ook: ’t winter = de winter die voorbij is of die komt, was van ’t winter ’n bult armoude, en: doar komt van ’t winter nog meer armoude. Ook Drentsch (Evenwel: in de winter = gedurende den wintertijd.) Zie ook: zömer, en: harst. – Kolwinter (onzijdig met den klemtoon op: win), naam eener herberg te Warfum; in ’t Kolwinter stait ’n hingst te dekken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
winter , winter , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. enter en twinter.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
winter , winter , (zelfstandig naamwoord) , vgl. vliewinter.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
winter , winter* , enz. onzijdig (zie bl. 579), vooral na “van”: van ’t winter; ook bijna overal elders in de spreektaal.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
winter , weenter , onzijdig , weenters , winter. In et weenter; in de weenterdag: in de winter
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
winter , weentr , zelfstandig naamwoord, onzijdig , weentrs , weentrken , winter. Biej de weentrdag, ’s winters
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
winter , van ’t winter , deze winter.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
winter , winter , wunter , de , winters , Ook wunter (Zuidoost-Drents zandgebied) = winter De wind zit in het oosten, wij zult wel winter kriegen (Dro), ’t Winter is het al drie jaor leen van de winter (Sle), Wat moew ’t winter eten? (Eex) *As der een boel ekkels bunt, kriej een strenge winter (Bov); Pik in, het is winter zie dat je het krijgt, nu het kan (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
winter , winter , winter
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
winter , wénter , winter , Saoves in de wénter gôn we dik kaorte, ge moet iet doen vur'rew verzèt. ‘s Avonds in de winter gaan we veel kaarten, je moet iets doen voor je ontspanning.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
winter , winter , zelfstandig naamwoord , de 1. winter 2. jaar, geteld aan het winterseizoen 3. winterseizoen in een bep. jaar 4. winterweer 5. ouderdom, laatste periode van iemands leven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
winter , winters , zelfstandig naamwoord , [O] wintervoeten, winterhanden
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
winter , swienters , in de winter
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
winter , wienter , winter
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
winter , wienter , winter; losse winter, zachte winter, kwakkelwinter.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
winter , winter , zelfstandig naamwoord , vorst (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
winter , wintjer , (mannelijk) , wintjers , wintjerke , winter
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
winter , wènter , zelfstandig naamwoord , winter; WBD wèntervoor - wintervoor (bij het ploegen) (Hasselt); Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - durgewenterd; Over witbevrore waaie; schent waoterig een wenterzunneke, een wenterwaoterzunneke; over witte waaie schent. (Lauran Toorians; Wenterlieke; CuBra; 200?); Piet van Beers – ‘Ge moet iets hebben wè oe tegenstikt’: Ik roep munnen hond, en hij heurt aon m'n stem,/ dè ik uit mun humeur uit ben./ 't Bisje is nog blijer as ik /As we van diee Wenter af zen. (With Love; 1982-1987); WBD III.1.3:147 'winterdas' = dikke wollen das; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'wijnter' - winter
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal