elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wipper

wipper , wupper , zelfstandig naamwoord de , in de combinatie gêle wupper, wesp.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wipper , wupper , wupperd , de , 1. beweeglijk persoon Dat is toch zo’n wupperd, dei kan nog gien vief menuten op een stoule zitten blieven (Bov) 2. zwengel van het spinnewiel, waarmee het wiel in beweging wordt gebracht (hy) 3. soort tol (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Met een touwgie an een stok koj de wupper meters wied wegslaon en dan leup e nog (Bei), z. ook glazenwupper 4. flesopener (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Rek mij de wupper even an (Dwi), Een flessenopener is hier een wuppertien (Coe) 5. carbidlamp (Zuidoost-Drents zandgebied)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wipper , wipper , zelfstandig naamwoord , de; wippende persoon of dier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wipper , wipperd , zelfstandig naamwoord , de; kaarslantaarn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wipper , wipper , zelfstandig naamwoord , wip (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
wipper , wipperd , zelfstandig naamwoord , Frans Verbunt (1996) - (bijnaam voor iemand die mankt)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal