elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wipwap

wipwap , wipwap , wupwap , wipplank, soort van schommel wipwappen = wupwappen = heewippen = schommelen op de wipplank. Veluwe wipperwap, Oostfriesch wippwapp, wüppwapp, Nedersaksisch wuppe.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wipwap , wippeldewap , (mannelijk) , Wip. Bij het op- en neergaan zingen de kinderen (soms met Holl. uitspraak): Jan Wippeldewap, Hu kaok î de pap? Van bûkweitenmèl; Hu kîkî zoo schèl?
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
wipwap , wippeldewap , (mannelijk) , Wip. Bij het op- en neergaan zingen de kinderen (soms met Holl. uitspraak): “Jan Wippeldewap, / Hu koak î de pap? / Van bûkweitenmèl; / Hu kîkî zoo schèl?”
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
wipwap , wipwap , v , wip.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
wipwap , wup-wap , zelfstandig naamwoord de , 1. Slappe kost. 2. Lichte, dunne, gemakkelijk verslijtbare kleding. 3. Iets van slechte kwaliteit, iets onbeduidends, loze opschik. Vgl. Fries wipwap. Zegswijze de hêle wupwap, de hele mikmak.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wipwap , wipwap , zelfstandig naamwoord , kinderwip. Zie ook: kwikkel.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
wipwap , wupwap , wupwappe , de , wupwappen , Ook wupwappe (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. wip De kiender hadden toch een schik op de wupwap! (Ruw), z. ook wup 2. onrustig, ongedurig kind (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), z. ook wupstaart
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wipwap , wipwap , wip
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wipwap , wipwap , zelfstandig naamwoord , de; wipwap, wip
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wipwap , wipwap , zelfstandig naamwoord , wip (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal