elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wordewil

wordewil , wordewil , nietsnut , Wa zéd'de toch ne wordewil, ge wit nie wag’ge wult, gebrûk'tew hérses. Wat ben je toch een nietsnut, je weet niet wat je wilt, gebruik je verstand.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
wordewil , wordewil , zelfstandig naamwoord , nietsnut (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
wordewil , wòrdewil , zelfstandig naamwoord , losbandige, onstuimige (?); Pierre van Beek - wòddewil (wòrdewil?) - iemand die niet weet wat hij wil; WBD III.1.4:219 'waardewil' = wispelturig persoon; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WORDEWIL m. - iemand die niet weet wat hij wil (Udenhout; blz.58, Verhoeven) Samenstelling met 'worden'; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; znw. m. 'wordewil' - 1) persoon die kan worden wat hij wil 2) het begin van een zaak of voorwerp waaruit nog alles groeien kan. WNT (XXVI:2190) WORDEWIL (Kempen) - iemand die kan worden, wat hij wil
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal