elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wreken

wreken , [wringen] , vreuken , (werkwoord) , wringen, wiggelen. , Gij staat zoo met uw schup te vreuken. Hij vreukte den sleutel kapot. De timmerman had de deur uit de gehengten gevreukt.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
wreken , wreken , (vrékǝ) , (zwak werkwoord, transitief en intransitief) , Wrikken. Zo ook elders; zie de wdbb. || Hij vreekt niet zo lank, dat de paal los staat. Dat … niemand hem sal vervorderen om eenige steenen inde Kerck te lichten … dan op sijn eygen pryckel ende kosten, ende soo sy eenige Steenen ofte Sarcken die daer by leggen door haer wreecken of knijpen beschadigen of breecken, die schade mede te vergoeden, Priv. v. Westz. 517 (a° 1641). Dat niemant hem vervordere … in de kerck … aen de kandelaers te drayen, vreecken ofte breecken ende diergelijcke ongeregeltheeden, Hs. keur (a° 1659), archief v. Assendelft.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wreken  , vraeke , wreken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
wreken , vreike , frikke , werkwoord , Wrikken, met geweld wringen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wreken , vrèuke , werkwoord , wringen, hard werken. 1. Als iets te vast of klem zit moet men er niet aan vrèuke (met geweld aan trekken of wringen) want dan kan het breken. 2. Vroeger moesten de mensen vrèuke (dag en nacht hard werken) om een redelijk bestaan te hebben. We vrèuke meej hande èn voete òmdè we van èèremoej moete luidde een oud weverliedje. 3. ’ne Vrèuker zegt men niet alleen van ’n harde werker, maar ook van een sterke, wat lompe kerel.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
wreken , wrieken , wreken, vreken , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook wreken, vreken = voortduwen met de vaarboom Wij hebt hielwat törf mit de bok achter uut de Peel weg haald, iene in de liende en de aander vrieken (Eli), (...) denngies, gebruukt as vaarboom um de bok te vreken (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wreken , vreken , wreken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wreken , vréúke , wrikken , We hébbe toch zitte vréúke tuun we die aauw schop hébbe afgebrooke. We hebben toch zitten wrikken toen we die oude karloods hebben afgebroken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
wreken , wreken , vreken , werkwoord , wreken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wreken , vrêêke , werkwoord , vrêêk, vrêêkte, gevrêêkt , [O] 1. loswrikken 2. enorm hard werken ’k Heb d’n hêêlen godgááñseleken dag staon te vrêêke, maor ‘k bin aailek nie veul opgeschoote Ik heb de hele dag enorm hard gewerkt, maar ik ben eigenlijk niet veel opgeschoten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
wreken , vrêêke , werkwoord , vrêêk, vrêêkte, gevrooke , wreken Hij lôôp altijd maor bezwêête naer buite; da’ sel z’n aaige opte langen duur wellis vrêêke Hij loopt altijd maar bezweten naar buiten; dat zal zich op de lange duur wel eens wreken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
wreken , vrueuke , wrikken
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
wreken , vreuke , vrjeeke , werkwoord , wrikken, hard werken (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant); vrjeeke; wringen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
wreken , vrêeke , sterk werkwoord , wreken; B vrêeke - vrôok - gevrooke; WNT VREKEN - wreken
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
wreken , vrêûke , zwak werkwoord , vrêûke - vrukte - gevrukt , "intensief werken; loswrikken; wringen; met vocaalkrimping; (Dirk Boutkan (1996) - 41); – ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vrukt; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) vrêûke - gij/hij vrukt; D’16 ""vreuken - hard, onafgebroken werken""; we vreuken mee haanden en voeten, om demme van erremoei moeten; (Piet Heerkens; uit: Brabant, ‘Aaw weeverlieke’, 1941); en kwaam daor veur 'n heg; van brem en scherpe doren; hij vrong en vreukte vreed; om deur die heg te komen (Piet Heerkens; uit ‘Vertesselkes, ‘De deur van de kerk van Baokel’, 1944); Och, peerdekraachte; vreuke vreed aon kêr en ploeg... (Piet Heerkens; uit De knaorrie, ‘’t Peerebumke’, 1949); hij vreukt as ’n perd... (Piet Heerkens; uit De knaorrie, ‘Aon den ‘Erteman’, 1949); Vruuger, ochgod, 't waar zingen en springe, den hemel... hij leek me zo schoon, en dichtbij, mar naa, och Heer, 't is vreuken en vringe, a'k er mar koom, dan ben ik al blij. (Leo Heerkens; uit De knaorrie (Piet Heerkens), ‘Vruuger en naa’, 1949); Cees Robben – ’t vreuken en sjouwe... (19570309); Cees Robben – En wij vreuke en vruute ons dol... (19580308) ; Cees Robben – Kunde vreuke..? jao, meneer Lewie... (19841005); De Wijs  – Gaon we driehappelepappe of pliesieke speulen mee vreuke? (15-06-1963); Quinten - tis unne vrûkurt die zunne wirgà nie kent! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990); Mistal plektedie [de heilige hostie] òn oew verhemelte vaast en zaate de hille mis meej oew tong vort te vrêûke om em los te krèège en dur te slikken… (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); WBD III.1.4:345 'wreuken' = zwoegen; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vrêêke, vreike, vreuke, vruiken - wringen, hard werken; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WROOKEN, ook WRUËKEN - al wrikkende wringen, met geweld wringen; gewrook, gewruëk; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zw.ww.tr. 'vreuken' (wreuken, wreken) - wringen, verdraaien, ... met geweld omdraaien, duwen of trekken, zodat ... Z.a. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VREUKEN (vreu:ke) onov. ww - hard werken met inspanning v. grote lichamelijke kracht en twijfelachtige efficiëntie. Verwant met: wreken? wringen?; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'vrèuke' ww - wringen, hard werken; WNT WREKEN (II), wreiken, wrieken, wreuken, wrooken, vreken, vreiken, vreuken - 1) m.b.t. concrete zaken: met geweld, met kracht heen en weer bewegen met het oogmerk het genoemde los te maken; 2) met inspanning van al zijn krachten werken; 4) moeilijkheden maken,krakeelen. – Naglijder op basis van verwantschap met 'wrooken' met scherplange oo; vrukte - wrikt(e) los, hard werken; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) vreuke - hij vrukt; – tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'vrêûke', met vocaalkrimping; Cees Robben – Mar Jantje (...) vruutte, vrukte vort... (19611229); gevrukt; van ‘vrêûke’; hard gewerkt, geploeterd; Cees Robben – Aon dè kerwaai gevrukt... (19830401); Cees Robben – Daor wier gevrukt, gezwit, gebid... (19610915); zie vreuke"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal