elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wringer

wringer , vringer , een haatdrager, wraaknemer, een lastig mensch, enz.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
wringer , vringer , m , wringer.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
wringer , vringer , zelfstandig naamwoord , ruziezoeker, kankeraar. ’ne Vringklòòt is altijd in de contramine. Nooit is iets goed genoeg of naar z’n zin.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
wringer , wringer , de , wringers , 1. wringmachine De vringer van de wasmesiene was te slop of esteld (Ruw), Met de wringer wordt het waoter oet het gooud haold, met de mangel wordt de volden oet het gooud oethaold (Eex), Zie har een elektrische wringer op de wasmesien (Gie), Een wringer is van rubber en een mangel van holt (Zdw) 2. draaihek (Veenkoloniën), z. ook wring
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wringer , vringer , wringer.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
wringer , wringer , zelfstandig naamwoord , de; wringer: iemand die wringt; wringmachine
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wringer , vringer , wringer
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
wringer , vringer , (zelfstandig naamwoord) , wringer.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
wringer , vrienger , 1. wringer, twee rollen waar men met een draaiende beweging de was doorhaalde, waardoor het water eruit werd geperst, 2. iemand die altijd moeilijk do , 1. de mjiste hadde ginne vrienger en deeje da wèruk mit’aand = de meesten hadden geen wringer en deden dat werk met de hand, 2. daor kunde nie meej werreke, da’s ne grwôte vrienger = daar kun je niet mee werken, dat is ’n heel moeilijk iemand
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
wringer , vringer , zelfstandig naamwoord , ruziezoeker (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
wringer , vringer , (mannelijk) , wringer , ’t Naat lievendj ging vreuger ieës door de vringer.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wringer , vringer , vringerd , zelfstandig naamwoord , "Van Delft - Een ""vringer"" is een doordrijver, een dwarszitter. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929); Pierre van Beek - dwarsdrijver, ruziezoeker; Ik had en ôom, hij is al jaore dôod./ Enen drammer hij wies aaltij alles beeter./ We noemden em dwarsdrèèver of bètweeter,/ òf vringerd, waor ie ok nie van verschôot. (Henriëtte Vunderink, Kriem pasjoonèl?, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); WBD (III.2.1:337) 'wringer' = mangel; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - vringer zn - ruziezoeker, kankeraar; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; znw., m. 'vringer(d) - wringer(d), iemand die wrok draagt en ruzie zoekt’; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WRINGER znw. m. - persoon die wrok draagt, nijdigaard. WNT WRINGER - 5) persoon die vaak of graag iemand tegenwerkt of ruzie zoekt, dwarsdrijver"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal