elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wroet

wroet , vruut , wroet, snuit van een varken. Schertsende hoort men wel eens: een vruut, fruut als een varken zetten.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
wroet , vruute , mol.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
wroet , wrent , wrute , mol, Gron. (Westerw.) wruite; Oostfr. wrotebülte, mulbülte, Gron. molbult = molshoop, HD. Maulwurf. Van: wroeten, OHD. wrôzjan, wruozjan, waarvan ook het Oostfr. wrote, wröte, fröte = zwijnebek, varkenssnuit.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
wroet , [mol] , wrö̂te , vröte , (vrouwelijk) , mol.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
wroet , [mol] , wrö̂te , vrö̂te , (vrouwelijk) , mol.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wroet , vruite , zie: wruitemol.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wroet , vroute , vrouwelijk , mol
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wroet , fruut , zelfstandig naamwoord , snuit. 1. Hij heej ’n fruut as ’n vèèreke. 2. Ook: kusje van een klein kind. Krèèg ’k ’n fruutje van oe? 3. Fruute (ww) is wroeten. ‘t Vèèreke hè hil de kooj òmgefruut. 4. ’ne Fruuter is iemand die tot het uiterste iets probeert te achterhalen, bij voorbeeld zijn afstamming.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
wroet , vroet , de , vroeten , (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. uil (Nsch) 2. mol (Klv), z. ook wruut
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wroet , wruut , wruite, wrute, wroute, vruut , de , wruten , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook wruite, wrute (dva), wroute (Zuidoost-Drents veengebied), vruut = mol Hie hef de vruut in het laand er zitten mollen bij hem in het land (Oos), Wie hebt wrouten in ’n gaoren mollen in de tuin (Nsch), z. ook mol
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wroet , wruut , wreuide, wröt, wrot, wrötte, wrotter, wrotterd, wr , de , wruten , Ook wreuide (Veenkoloniën), wröt (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), wrot of wrötte (Midden-Drenthe), wrotter, wrotterd (Zuidwest-Drenthe, noord), wrötter (Zuidwest-Drenthe, noord), vruut = onderdeel van een ploeg voor het breken van een harde ondergrond. Ook de naam voor de ploeg zelf Een wrötter, die deur de vore gunk um de grond lös te maeken (Dwi), Hej ok een wruut an de ploeg? (Sle), z. ook wruter, wruterd
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wroet , fruut , snuit , Ieder gróót bist hi 'n fruut of snuut, kléén bisjes 'n fruutje of snuutje. Ieder groot beest heeft een snuit, kleine beestjes een snuitje.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
wroet , vrotte , zelfstandig naamwoord , de; mond met vooruitstekende lippen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wroet , fruûjt , gezicht , Zak oe is óp oew fruûjt slòn? Zal ik jou eens op je gezicht slaan?
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
wroet , fruut , zelfstandig naamwoord , gezicht (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
wroet , vruut , fruut , zelfstandig naamwoord , "neus (groot); WBD (Hasselt) snuit van een varken, aldaar ook 'snèùt' genoemd; N. Daamen - handschrift 1916 - ""vruut - snuit""; En toen kwaam dieë kuus mee die lange vruut en blaosde 't vertesseltje uut. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Cees Robben – [Hij] klottert lôôdrecht naor beneeje../ En valt hil z’n vruut kepot.. (19700925); Meens haauwt oe vruut tòch dicht... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Naachtwèrk); Dè en vruut en neus is... (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007); Stadsnieuws -  Hij heej me tòch en vruut, daor kunde ast rèègent schèùle. (231209); C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - FRUUT v. - snuit, gezicht. WBD III.4.2:33 'wroet' - voorste deel v.h. gezicht van een dier; ook genoemd: snufferd, bakkes, bek of toot; Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - vruut Heeren = bakker Heerkens (blz. 41); WBD III.1.1:65 'wroet' = gezicht; WBD III.1.1:96 'wroet' = mond; WNT WROET, vroet(e) - verbaalabstr. van wroeten; nagenoeg alleen in gewestelijk taalgebruik; met vr- anlaut in o.a. n-Brab.- l) mol; 2) snuit van een varken, ook toegepast op de mond v. personen ... A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; znw.vr. 'fruut' l) varkenssnuit, bij uitbr., gemeenzaam, gezegd v.d. met vooruitgestulpte lippen gevormde mond; 2) zoen, kus; fruut; Henk van Rijen: neus, toet; K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Dirk Fruut (Van der Aa) 21; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – ; fruut zelfstandig naamwoord - snuit; ook: kusje"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal