elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zacht

zacht , zachte , (bijvoeglijk naamwoord) , zacht, bw. zachte, slaopzachte, slaapgoed.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zacht , zacht , in de uitdrukking: dat dut hōm ook gijn zacht = dat doet zeer, ’t is zeer pijnlijk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zacht , zacht , zaft , (bijvoeglijk naamwoord) , Darnaast soms nog in oudere vorm zaft en saft. Zie de wdbb. || Wat ’en zafte mof. Zafte wol. 29 Ditto … saft weer, Journ. Caeskoper, 29 Jan. 1689. – Zegsw. Zo zaft as ’en zijd, zo zacht als zijde, zeer zacht. Evenzo bij V. EFFEN, Spectator 1, 53 (van een paard): Zo rond als een appel en in den bek als een zij zo zagt. – Vgl. saffie en overzacht.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zacht , zach , zachte , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 week, 2 niet luid, 3 bw. heel wel, zonder bezwaar, met goede kans van slagen. De zachste botr smeart op n besn, met zoet lijntje bereikt men meer dan met hardheid; nen zachn dood hebm, ongemerkt eindigen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zacht , zôft , [D. sanft, E. soft] zacht zôft e péêre zachte peren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zacht , zôfte , m , zachte ’ne zôfte een eitje, slappeling
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zacht , zacht , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , in de zegswijze zô zacht as Immetjes buk, zeer zacht, aangenaam zacht of donzig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zacht , zaft , zacht, wiëk, slap.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
zacht , zacht , zachte, zaacht, zaachte , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook zachte (Zuidoost-Drents veengebied), zaacht (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), zaachte (Zuidwest-Drenthe) = 1. zacht Neteldoek is zaachte, dunne stof (Eex), Dit naojaor was slim zaachte met zacht weer (Die), Ie moet mee drinken, aj verkolden bint; de keel wordt er zaachte van (Dwi), Het wordt al wat zachter mit de störm de storm luwt (Vtm), Zo, weer een zeer lappien en een zacht vingertien van een arbeidsschuw persoon (Mep), Het is zo zacht as ziede (Zwa), Op zien zachtst gezegd was het niet zo’n beste (Sle) 2. genezen De wonde is alweer zacht (Bov) 3. gering As er in het veurjaor zo’n mooi zaacht regentie is, zeg wij: het regent gras en kievitseier (And), Hij dee het veur een zacht priesie weg (Klv) 4. goedig, goedaardig Die vrouw, dat is een zacht mèensch (Sle), Hie hef een zaachte inbörst (Bal), Hij is te zacht veur dizze wereld te goed van natuur (Nam), (zelfst.) Let maor niet op zien praoties, het is zo’n halve zachte, ...halve gare (Noo) 5. gemakkelijk Dou man kalm an, doe kanst het nog zachte doun (Bov) *Zachte hielmeesters maakt stinkende wonden (Coe), z. ook zachies
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zacht , záácht , zaóft, zôft, soft , zacht, glad, week. dieje spierk is goed zaóft, die perzik is lekker zacht. softe sloffen, zachte sloffen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zacht , zachte , zacht. Zo zachte as dons
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zacht , zâchte , zacht.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zacht , zôcht , zacht , Van zôcht daor haauwe de mènse wél van, 't begient al meej 'un zôcht knuffelbisje. Van zacht daar houden de mensen wel van, het begint al met een zacht knuffelbeestje.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
zacht , zaachte , bijvoeglijk naamwoord , 1. week, niet hard 2. niet hard, niet ruw van oppervlak 3. niet guur 4. niet met kracht of nadruk uitvoerend 5. teder, vriendelijk van gemoed, bijv. een zaacht maegien, een zaachte bi’je bij die niet gauw steekt 6. niet hard qua geluid 7. niet fel, niet krachtig, bijv. de kachel op zaachte zetten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zacht , zacht , bijwoord , allicht, waarschijnlijk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zacht , zooft , zoft , zacht
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zacht , zaacht , 1. glad; 2. zacht
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zacht , zoft , zacht
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
zacht , zachte , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , zacht.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zacht , zâcht , zacht
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zacht , zaft , zacht (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zacht , zaoft , zocht, zoft , bijvoeglijk naamwoord , zacht (Helmond en Peelland); zocht; zacht (West-Brabant); zoft; zacht (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zacht , zaocht , zaochter, zaochst , zacht , Hae is zaocht van aard. ’t Waer is zaocht.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zacht , zòft , bijvoeglijk naamwoord , "zacht; N. Daamen, Handschrift 1916 - ""zoft - zacht""; ...den alderlesten toon, zoft en zuiver, diep en schoon. (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Dörp’, 1939); ...'n glaoske drinken van dieën goeien, zoften wijn... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938) ; ...de vredes-aria mee een schoone zofte fluitbegeleiding... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; NTC 29-10-1938); Cees Robben - ...Dès un zoft Gôôls brieske... (19570631); Pierre van Beek - zó zòft as flewêel; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'Hardi', zi De Waal, en hij scheet zòft (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - kaartterm (F. N. de Waal was een fabrikant in Den Bosch. Het staat niet vast waaraan hij zijn spreekwoordelijke bekendheid dankt.); Variant: . . . èn zen gat was kaal (gezegd bij het kaarten kopen) '50; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - zoft bijvoeglijk naamwoord , zacht, gebruikt naast 'zaacht', maar meer in materiële zin: 'ne zoften appel. A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; bijvoeglijk naamwoord  'zoft' - zacht: 'n zofte peer', 'zofte steen'; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZOCHT - zacht, fr. mou, tendre, Eng. soft; Haor ZOFT - zacht, slap"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal