elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zauwelen

zauwelen , saauwelen , Gel. kieskauwen. Eig. op iets omlekken zonder er in te bijten; sabbelen. Kil. verwisselt sabbe met sauwe, [be-labberde] slordige vrouw.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
zauwelen , sawelen , sebbelen , (werkwoord) , wauwelen, babbelen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
zauwelen , sawweln , (zwak werkwoord) , kieskauwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
zauwelen , sauwelen , (zwak werkwoord) , kieskauwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zauwelen , zauwelen , Zabbelen, zuigen. D(i)ee jonge lig den hélen margen te zabbelen op ʼn stüksken zö̂t (h)òlt.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
zauwelen , [sabbelen] , zauwelen , Zabbelen, zuigen. D(i)ee jonge lig den hélen margen te zauwelen op ʼn stüksken zö̂t(h)òlt.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
zauwelen , zouwele , zanikken, veel koffiedrinken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zauwelen , tjaauweln , kletsen, zeuren
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
zauwelen , saawele , werkwoord , sauwelen, beuzelpraat verkopen, kletsen. Er wordt heel wat afgesaaweld in Beek. ’t Krioelt er van de saawelèèrs en dat niet alleen op de aawmeutenaovend (zie aldaar). Men denke (volgens kwaoj tònge) maar eens aan de geminteraod. Maar het verschijnsel doet zich niet alleen hier voor. In verscheidene omliggende gemeenten (o.a. in het Pinnekleuversgat) worden rond Carnaval uitgebreide saawelaovende gehouden.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
zauwelen , zowwele , zeivere, flow proate.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
zauwelen , sauwelen , kletsen, onzin praten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zauwelen , saauwele , zeuren , Wa kan'nie toch saauwele, héij kan nen hillen aovend ziivere én niks gezeed hébbe. Wat kan hij toch zeuren, hij kan een hele avond zeuren en niets gezegd hebben.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
zauwelen , sáúwele , kletsen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zauwelen , saawele , kletsen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
zauwelen , saawele , sauwele, zouwele , werkwoord , kletsen (Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant); sauwele; kletsen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; West-Brabant); zouwele; motregenen (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zauwelen , [met kleine beetjes drinken] , zawwele , zouwele , zawweltj, zawweldje, gezawweldj, zouwelt , 1. vaak en met kleine beetjes drinken 2. leuteren 3. sabbelen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zauwelen , saawele , zwak werkwoord , saawele - saawelde - gesaaweld , "kletsen, zwammen; Der wòrdt teegesworreg veul gesaaweld. N. Daamen - Handschrift 1916 – ""Saauwelen - kletsen""; Sommige kraanten saawelen dè Jantje [Pijnenburg] in Brussel mee rijdt in den zisdaogschen, mar Artskes kraant hee gezee, dè-t-er vurloopig nog niks van waor is. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929); Hij [Jezus] waar nog en end wiste waandele meej de Emmausgangers mar die sufferds han ôk niks in de gaote gehad, die han toch lekker lôope te saawele meej em. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Dan kwaam zij ok nòr bèùte èn dan kosse we goed zôo en uur òf tweej gòn stòn saawele. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002); WBD III.3.1:278 'sauwelen', 'wauwelen' = praten, kletsen; Stadsnieuws - Ge mot nie zo saawele, daor krèede mar dikke bêene van. (020408); WNT SAUWELEN - 1) talmen, treuzelen; 2) kieskauwen; 3) beuzelachtige praat houden, kletsen (o.a. in de Meijerij); Bosch sauwele - onsamenhangend kletsen; Hees zauwele (VII-22); Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - saawele ww - sauwelen, beuzelpraat verkopen, kletsen; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; sa.wələ(n) zw.ww. intr. 'saauwelen' - sauwelen, beuzelachtige praat houden. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SAUWELEN - ergens over veel en lang praten, zonder iets te zeggen. Kiliaen -  heeft wel 'sauwel' doch in dezen zin niet. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SAUWELEN (saawele) onov. ww - wauwelen, sjouwelen, onsamenhangend kletsen, vooral over onverstandig gekozen onderwerpen."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal